Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BI9729

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-02-2010
Datum publicatie
12-02-2010
Zaaknummer
08/03403
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BI9729
In cassatie op: ECLI:NL:CRVB:2008:BD8630, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 6, lid 2 en lid 4, AKW, art. 11 Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999. Uitsluiting van de verzekering voor vreemdelingen zonder toereikende verblijfstitel vormt geen discriminatie naar nationaliteit. Dat de uitzondering hierop in art. 11 KB 746 beperkt is tot personen die arbeid verrichten in overeenstemming met de WAV, is evenmin discrimnerend.

Wetsverwijzingen
Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999
Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2010, 405
BNB 2010/133 met annotatie van P. KAVELAARS
V-N 2010/11.19 met annotatie van Redactie
FutD 2010-0383
USZ 2010/83
NTFR 2010/442 met annotatie van mr. A.H.W. Steijn
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 08/03403

12 februari 2010

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 juli 2008, nr. 06/3903, betreffende een besluit ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (hierna: AKW).

1. Het geding in feitelijke instanties

Bij besluit van 25 oktober 2005 heeft het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: het Bestuur) beslist dat belanghebbende geen recht heeft op kinderbijslag met ingang van het derde kwartaal van 2005.

Het Bestuur heeft het tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De Rechtbank te Zwolle-Lelystad (nr. AWB 06/568 AKW) heeft het tegen die beslissing ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad.

De Centrale Raad heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van de Centrale Raad is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het Bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal C.W.M. van Ballegooijen heeft op 8 juni 2009 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Belanghebbende en het Bestuur hebben schriftelijk op de conclusie gereageerd.

Belanghebbende heeft na deze reactie nog een geschrift ingediend. Daartoe biedt de wet evenwel niet de mogelijkheid. De Hoge Raad slaat op dat stuk daarom geen acht.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende heeft de Russische nationaliteit. Bij de aanvang van het derde kwartaal van 2005 verbleef hij niet rechtmatig in Nederland in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: VW 2000).

3.1.2. Sinds 1 januari 2005 werkt belanghebbende in Nederland als zelfstandig ondernemer. Hij verrichtte geen arbeid voor een werkgever in overeenstemming met de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: WAV).

3.2. Belanghebbendes aanvraag om kinderbijslag met ingang van het derde kwartaal 2005 is afgewezen, omdat hij volgens het Bestuur niet verzekerd is ingevolge artikel 6, lid 2, AKW, aangezien hij niet rechtmatig in Nederland verblijft in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, VW 2000. Belanghebbende kan volgens het Bestuur geen rechten ontlenen aan artikel 11 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekerden 1999 (hierna: KB 746), aangezien hij niet in overeenstemming met de WAV arbeid in dienstbetrekking verricht uit hoofde waarvan hij aan de loonbelasting is onderworpen.

3.3. De Centrale Raad heeft geoordeeld dat belanghebbende geen recht op kinderbijslag heeft, omdat hij niet als verzekerde in de zin van de AKW kan worden aangemerkt. Tegen dat oordeel zijn de klachten gericht.

3.4. Op grond van artikel 31, lid 1, AKW kan beroep in cassatie worden ingesteld tegen uitspraken van de Centrale Raad ter zake van schending of verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2, 3 of 6 van die wet. Op grond van artikel 7, lid 1, en artikel 11, lid 1, AKW komt slechts degene die verzekerd is in aanmerking voor recht op kinderbijslag voor diens kind(eren). De verzekeringspositie van het kind speelt hierbij geen rol. Voor zover de klachten betogen dat de (verzekerings)positie van het kind bepalend zou moeten zijn, richten zij zich tegen de toepassing van de artikelen 7, lid 1, en 11, lid 1, AKW, en zijn zij niet gebaseerd op schending of verkeerde toepassing van een van de bepalingen genoemd in artikel 31, lid 1, van deze wet. Daarom kunnen de klachten in zoverre niet tot cassatie leiden.

3.5. Belanghebbendes derde klacht in cassatie kan aldus worden opgevat dat hij als ondernemer inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen betaalt en zodoende in een gelijke positie verkeert als iemand die in dienstbetrekking werkzaam is en uit dien hoofde aan de loonbelasting is onderworpen, en als gevolg daarvan als verzekerde wordt aangemerkt. Aldus opgevat moet deze klacht worden aangemerkt als een beroep op het verbod van discriminatie.

3.6. Bij de beoordeling van deze klacht moet worden vooropgesteld dat een vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, VW 2000, op grond van de hoofdregel van artikel 6, lid 2, AKW van de kinderbijslagverzekering is uitgesloten. Deze uitsluiting vloeit voort uit het bepaalde bij de zogeheten Koppelingswet (Wet van 26 maart 1998, Stb. 1998, 203). Uitgangspunt van de Koppelingswet is dat vreemdelingen die niet onvoorwaardelijk tot Nederland zijn toegelaten, in beginsel geen toegang hebben tot de collectieve sociale voorzieningen. Voor het daarbij gemaakte onderscheid naar nationaliteit bestaat een toereikende rechtvaardiging, zoals de Centrale Raad terecht en op goede gronden heeft beslist in zijn uitspraak van 26 juni 2001, nr. 00/3097AKW, LJN AB2324, RSV 2001/216.

3.7.1. Op grond van de delegatiebepaling van artikel 6, lid 4, aanhef en letter a, AKW kan bij algemene maatregel van bestuur worden afgeweken van de hoofdregel van artikel 6, lid 2, AKW, voor zover het gaat om vreemdelingen die rechtmatig in Nederland arbeid verrichten, dan wel hebben verricht.

3.7.2. Voor werknemers is op basis van deze delegatiebepaling een regeling getroffen in artikel 11

KB 746. Zij houdt in dat de vreemdeling die rechtmatig verblijf houdt in Nederland in de zin van artikel 8, onder f tot en met k, VW 2000, verplicht verzekerd is indien hij in overeenstemming met de WAV arbeid in dienstbetrekking verricht uit hoofde waarvan hij aan de loonbelasting is onderworpen.

3.7.3. Uit de Nota van Toelichting bij KB 746 (blz. 27) blijkt dat de besluitgever - afgezien van het hier niet ter zake doende artikel 10 van het KB 746 - geen verder gaande beperkingen heeft willen aanbrengen op de in artikel 6, lid 2, AKW geregelde uitsluiting van de verzekeringsplicht. Voor zelfstandigen als belanghebbende heeft de besluitgever in KB 746 derhalve geen regeling getroffen op grond waarvan zij (onder voorwaarden) in afwijking van artikel 6, lid 2, AKW tot de kring der verzekerden kunnen behoren. Hetgeen onder 3.6 is overwogen brengt dan mee dat belanghebbende op grond van de AKW niet tot de kring der verzekerden behoort.

3.7.4. Aldus wordt belanghebbende ongunstiger behandeld dan de vreemdeling die in overeenstemming met de WAV arbeid in dienstbetrekking verricht en in verband daarmee verplicht verzekerd is op grond van artikel 11

KB 746. Dit roept de vraag op of KB 746 op dit punt een onderscheid maakt dat in strijd is met het verbod van discriminatie.

3.7.5. De achtergronden van de regeling van artikel 11 KB 746 zijn uiteengezet in de memorie van toelichting bij de Koppelingswet (Kamerstukken II 1994-1995, 24 233, nr. 3, blz. 43-44). Daarin is opgemerkt dat moet worden voorkomen dat het illegaal werken van personen die in Nederland in beginsel slechts tijdelijk zijn toegelaten om andere redenen dan het verrichten van arbeid, mogelijkerwijs wordt beloond in de vorm van een uitkering. Van deze doelstelling kan niet worden gezegd dat zij van redelijke grond ontbloot is.

3.7.6. Daarvan uitgaande stond het de besluitgever vrij om bij de afbakening van de verzekeringsplicht van vreemdelingen die hier te lande geen rechtmatig verblijf houden zoals bedoeld in

artikel 6, lid 2, AKW, uit een oogpunt van uitvoerbaarheid en controleerbaarheid aansluiting te zoeken bij de normen van de WAV. De vraag of een vreemdeling zijn arbeid verricht in overeenstemming met de WAV is in het algemeen te beantwoorden door na te gaan of de werkgever voor wie hij deze arbeid verricht daarvoor over een tewerkstellingsvergunning beschikt.

3.7.7. Nu belanghebbende geen arbeid in overeenstemming met de WAV heeft verricht, stuit zijn beroep op discriminatie hierop af.

3.8. Ook voor het overige kunnen de klachten niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, A.H.T. Heisterkamp en M.W.C. Feteris, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2010.