Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BI3713

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-05-2010
Datum publicatie
07-05-2010
Zaaknummer
08/01890
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BI3713
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 3.126, lid 1, letter a, onder 2°, Wet IB 2001.

Lijfrentepremieaftrek bij dooroverdracht van onderneming aan werkmaatschappijen tegen uitreiking van aandelen en creditering toegestaan. Geen overdracht aan ‘derde’ als bedoeld in HR 8 november 2000, nr. 35393, BNB 2001/188, en 12 september 2003, nr. 37454, BNB 2003/398.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010, 1135 met annotatie van Kastelein
RN 2010/62
PJ 2010/133 met annotatie van Mr. C.A.H. Luijken
BNB 2010/221 met annotatie van A.O. LUBBERS
FED 2010/86
Belastingadvies 2010/13.6
V-N 2010/23.13 met annotatie van Redactie
FutD 2010-1165 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 08/01890

7 mei 2010

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X2 te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank te Breda van 21 maart 2008, nr. AWB 07/1814, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende is voor het jaar 2003 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

De Rechtbank te Breda heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 23 april 2009 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende en X1 hebben tot 1 januari 2003 een onderneming gedreven in de vorm van een maatschap. Zij waren daarin voor gelijke delen gerechtigd. Op 27 mei 2003 hebben zij hun aandelen in de maatschap - met terugwerkende kracht tot 1 januari 2003 - zonder een beroep te doen op een fiscale vrijstelling ingebracht in A B.V. respectievelijk B Beheer B.V. (hierna: de houdstermaatschappijen). Zij hebben ieder tot het bedrag van hun stakingswinst een lijfrente bij de eigen houdstermaatschappij bedongen.

3.1.2. De houdstermaatschappijen hebben eveneens op 27 mei 2003 ieder hun aandelen in de maatschap overgedragen aan C B.V. (hierna: de werkmaatschappij) tegen uitreiking van aandelen van € 100 nominaal tot een bedrag van € 290.000 en een creditering per inbrenger van respectievelijk € 39.426 en € 14.865. De houdstermaatschappijen houden ieder 50 percent van de aandelen in de werkmaatschappij.

3.2. Voor de Rechtbank was in geschil of belanghebbende recht heeft op aftrek van premies voor lijfrente ten bedrage van € 167.819.

3.3. De Rechtbank heeft uit de arresten van de Hoge Raad van 8 november 2000, nr. 35393, LJN AA7113, BNB 2001/188, en 12 september 2003, nr. 37454, LJN AF3288, BNB 2003/398, afgeleid dat van een overdracht in de zin van artikel 3.126, lid 1, letter a, onder 2°, van de Wet IB 2001 geen sprake is indien de overdracht van (een gedeelte van) een onderneming onmiddellijk wordt gevolgd door een tevoren overeengekomen overdracht aan een derde. De werkmaatschappij is in de relatie waarbij de onderneming is ingebracht tegen lijfrenten, een derde, aldus de Rechtbank. De lijfrentepremies die bij de houdstermaatschappijen zijn bedongen, komen naar het oordeel van de Rechtbank derhalve niet voor aftrek in aanmerking.

3.4. Voor zover de middelen zich richten tegen dat oordeel, heeft het volgende te gelden.

3.5. In het arrest van de Hoge Raad van 8 november 2000, nr. 35393, LJN AA7113, BNB 2001/188, is met betrekking tot de destijds in artikel 45, lid 5, letter a, onder 2°, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 neergelegde uitzondering geoordeeld dat deze uitsluitend is bedoeld voor premies betaald aan een opvolgend ondernemer, en dat derhalve onder een overdracht in de zin van die bepaling niet dient te worden begrepen de overdracht van een onderneming gevolgd door een tevoren overeengekomen overdracht aan een derde. In een zodanig geval kan immers niet worden gezegd dat de persoon aan wie of het lichaam waaraan de premies worden betaald, de onderneming heeft overgenomen. Onder de werking van het, voor zover hier van belang, gelijkluidende artikel 3.126, lid 1, letter a, onder 2°, van de Wet IB 2001 heeft hetzelfde te gelden. Van het geval waarin dooroverdracht plaatsvindt aan een derde, als bedoeld in voormeld arrest, moet echter worden onderscheiden een geval als het onderhavige waarin de gerechtigdheid tot de helft van een ondernemingsvermogen wordt ingebracht in een dochtervennootschap die het gehele ondernemingsvermogen verkrijgt en de inbrengende vennootschap door verwerving van aandelen in die dochtervennootschap een belang van 50 percent behoudt in het vermogen van de onderneming van die dochtervennootschap. Dat is alleen anders indien sprake is van een tevoren overeengekomen overdracht aan een derde ofwel van de aandelen in die dochtervennootschap ofwel van de onderneming door die dochtervennootschap. In laatstbedoeld geval behoudt het lichaam waarin de onderneming is ingebracht, middellijk volledig de gerechtigdheid tot het vermogen en de winst van de onderneming, en is er derhalve geen reden om aan dat lichaam voor de toepassing van artikel 3.126, lid 1, letter a, onder 2°, van de Wet IB 2001 de hoedanigheid van overnemer van de onderneming te ontzeggen. De omstandigheid dat in het onderhavige geval de dooroverdracht van de onderneming niet uitsluitend tegen uitreiking van aandelen maar deels tegen creditering heeft plaatsgevonden, doet aan het vorenstaande niet af.

3.6. Uit het hiervoor in 3.5 overwogene volgt dat de middelen slagen voor zover zij zich richten tegen het hiervoor in 3.3 vermelde oordeel van de Rechtbank. De middelen behoeven voor het overige geen behandeling. De uitspraak van de Rechtbank kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

4. Proceskosten

De Minister van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor de Rechtbank. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 08/01884 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, alsmede de uitspraak van de Inspecteur,

vermindert de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 99.999,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 107, alsmede het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank ten bedrage van € 39, derhalve in totaal € 146,

veroordeelt de Minister van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 1932, derhalve € 966, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 966, derhalve € 483, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer P. Lourens als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck, A.R. Leemreis, P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2010.