Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BG1204

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-02-2010
Datum publicatie
26-02-2010
Zaaknummer
44065
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BG1204
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie ongegrond verklaard, zie ook het arrest 44064

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-0520 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 44.065

26 februari 2010

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X Stichting te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 25 april 2007, nr. 03/00477, betreffende een aanslag in het recht van schenking.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende is ter zake van een verkrijging in het jaar 2001 een aanslag in het recht van schenking opgelegd.

De Inspecteur heeft bij uitspraak het tegen de aanslag gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, het bezwaar alsnog ontvankelijk verklaard en de aanslag gehandhaafd zoals deze door Inspecteur is vastgesteld.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij drie middelen aangevoerd.

De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. J.H. Asbreuk, advocaat te Rotterdam.

De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 7 oktober 2008 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende is opgericht in 1995. Blijkens haar statuten stelt zij zich ten doel:

"het verlenen van materiële ondersteuning aan algemeen nut beogende - en andere instellingen als bedoeld in artikel 24 lid 4 van de Successiewet 1956 ten behoeve van projecten of activiteiten binnen de doelstellingen van die instellingen."

3.1.2. Belanghebbende is aangemerkt als een instelling als bedoeld in artikel 24, lid 4, van de Successiewet 1956 (hierna: de Wet).

3.1.3. Op 29 november 2001 verkreeg belanghebbende ten titel van schenking het recht op een periodieke uitkering ter waarde van ƒ 375.000.

3.1.4. Belanghebbendes feitelijke werkzaamheid in 2001 bestond niet uit ondersteuning van kunst en wetenschap. In dat jaar heeft zij ook geen uitgaven gedaan op dat gebied.

3.1.5. Het Prins Bernard Cultuurfonds (hierna: PBF) en het Nederlandse Rode Kruis (hierna: NRK) genieten een doorlopende kwijtschelding van het recht van schenking op grond van - voor het NRK - het Besluit van 12 maart 1946, nr. 154, S. 13, en - voor het PBF - het Besluit van 19 februari 1947, nr. 80, S. 14 (bevestigd bij Besluit van 6 november 1963, S. 48).

3.2. Voor het Hof was in geschil of belanghebbende over de onder 3.1.3 bedoelde schenking recht van schenking verschuldigd is. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld geen recht van schenking verschuldigd te zijn. Zij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat zij gelijk dient te worden behandeld als het PBF en het NRK. Het Hof heeft dit standpunt verworpen. Hiertegen richten zich de middelen I en II.

3.3.1. Bij de beoordeling van deze middelen dient het volgende te worden vooropgesteld. Vaststaat dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor kwijtschelding op grond van artikel 67 van de Wet. Voor zover zij gelijk wil worden behandeld met een instelling die wél in aanmerking komt voor kwijtschelding op grond van dat artikel, kan haar beroep op het gelijkheidsbeginsel niet worden gehonoreerd. In dat geval heeft de ongelijke behandeling immers een grondslag in de wet, die geen ontoelaatbare ongelijke behandeling in zich draagt, en berust die niet op een oogmerk van begunstiging van één van de gevallen.

3.3.2. De onderdelen 4.3 en 4.4 van 's Hofs uitspraak laten zich aldus verstaan, dat schenkingen aan het PBF, anders dan die aan belanghebbende, in het onderhavige jaar in aanmerking komen voor kwijtschelding van het recht van schenking op grond van artikel 67, lid 1, aanhef en onder 3º, van de Wet. Hiervan uitgaande heeft het Hof, wat er zij van de motivering van zijn oordeel voor het overige, terecht geoordeeld dat belanghebbende niet met succes een beroep kan doen op het gelijkheidsbeginsel. Voor de ongelijke behandeling biedt de Wet immers een grondslag. Voor zover de middelen uitgaan van een andere opvatting, falen zij.

3.3.3. Belanghebbende voert in de toelichting op middel I, onder verwijzing naar de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 5 april 2006, nr. 04/2575, aan dat het kwijtscheldingsbeleid ten aanzien van het PBF en het NRK een afdoende wettelijke grondslag ontbeert, en dat artikel 67, lid 1, aanhef en onder 3º en 4º, van de Wet bij die instellingen onvoldoende grondslag biedt voor kwijtschelding. Uit 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding blijkt echter niet dat belanghebbende hierop reeds voor het Hof een beroep heeft gedaan. Op deze stelling kan dan geen acht worden geslagen, omdat beoordeling van de gegrondheid daarvan een onderzoek van feitelijke aard zou vergen, waarvoor in cassatie geen plaats is. Ook in zoverre kan het middel derhalve niet tot cassatie leiden.

3.3.4. Middel II verwijt het Hof niet te hebben getoetst of het PBF voldoet aan de eisen van artikel 67, lid 1, aanhef en onder 3º, van de Wet. Het Hof was echter niet tot zo'n toetsing gehouden, nu beide partijen ervan uitgingen dat het PBF aan die eisen voldeed. Het middel faalt.

3.4. De middelen falen ook voor het overige. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren A.R. Leemreis, J.W.M. Tijnagel, A.H.T. Heisterkamp en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2010.