Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BK4161

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-11-2009
Datum publicatie
01-12-2009
Zaaknummer
09/01471 H
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2009, 2270
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 november 2009

Strafkamer

nr. 09/01471 H

SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 21 november 2006, nummer 21/006575-05, ingediend door mr. M. van Stratum, advocaat te 's-Gravenhage, namens:

[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, wonende te [woonplaats].

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Utrecht van 19 december 2005 - de aanvrager ter zake van de feiten 1 en 2 "afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen" en feit 3 "schuldheling" veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig maanden.

2. De aanvrage tot herziening

De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Bewezenverklaring en bewijsvoering

3.1. Bij de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd is ten laste van de aanvrager bewezenverklaard dat:

"Feit 1 primair

hij op 31 december 2004 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogemerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van ongeveer 700 Euro, toebehorende aan [slachtoffer 1], welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en/of zijn mededader

- een hand op/over de mond van die [slachtoffer 1] heeft/hebben gelegd/gehouden en

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft/hebben gedrukt/gehouden en

- die [slachtoffer 1] heeft/hebben geduwd en

- (daarbij) heeft/hebben gezegd "als je mij je geld niet geeft schiet ik je neer" en

- die [slachtoffer 1] een vuistslag in het gezicht heeft/hebben gegeven en

- die [slachtoffer 1] heeft/hebben gedwongen op het toilet te gaan zitten en te blijven zitten

Feit 2 primair

hij op 04 december 2004 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag, toebehorende aan [slachtoffer 2], welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en/of zijn mededader:

- die [slachtoffer 2] op het bed heeft/hebben geduwd en bovenop die [slachtoffer 2] is/zijn gaan liggen en

- een hand op/over de mond van die [slachtoffer 2] heeft/hebben gelegd/gehouden en

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] heeft/hebben gedrukt/gehouden en

- die [slachtoffer 2] heeft/hebben gedwongen op het toilet te gaan zitten en te blijven zitten

3. Subsidiair

hij op 31 december 2004 en 1 januari 2005 te Arnhem, een mobiele telefoon (merk Nokia, type 3410) heeft verworven, terwijl hij ten tijde van het verwerven van voornoemde telefoon redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof."

3.2. Het Hof heeft in de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd omtrent de betrouwbaarheid van de door de getuige [slachtoffer 2] afgelegde verklaringen het volgende overwogen:

"De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat aangeefster [slachtoffer 2] niet consequent en consistent heeft verklaard en dat het feit dat zij pas na lange tijd aangifte heeft gedaan afbreuk doet aan haar betrouwbaarheid.

Het hof heeft geconstateerd dat geen sprake is van dusdanige inconsistenties in de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 2] dat daardoor de betrouwbaarheid van haar verklaring ter discussie staat."

4. Beoordeling van de aanvrage

4.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.

4.2. In de aanvrage wordt aangevoerd dat het Hof de aanvrager zou hebben vrijgesproken indien het bekend was geweest met de verklaring van de aangeefster [slachtoffer 2] in de strafzaak tegen de medeverdachte [medeverdachte], uit welke verklaring de onbetrouwbaarheid van haar verklaring zou blijken nu zij "een leugenachtig verhaal heeft gehouden, hetgeen zij ook zelf ter terechtzitting heeft beaamd" en is teruggekomen "op eerder vertelde verhalen over afpersing door [medeverdachte]".

4.3. Als bijlage is bij de aanvrage gevoegd een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 21 januari 2009 in de strafzaak tegen [medeverdachte], de medeverdachte van de aanvrager. Voor zover hier van belang houdt dit arrest het volgende in:

"Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 primair en subsidiair en onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

In het bijzonder overweegt het hof daaromtrent het volgende.

[Slachtoffer 1] heeft bij de politie op 31 december 2004 aangifte gedaan van diefstal met geweld, gepleegd op diezelfde dag op het Zandpad te Utrecht, waar zij op dat moment als prostituee werkzaam was. Zij heeft onder bedreiging van een pistool € 700,- afgegeven. Tijdens een fotoconfrontatie heeft zij verdachte herkend als zijnde degene die haar die nacht overvallen heeft.

Aangeefster [slachtoffer 2] heeft op 17 februari 2005 eveneens aangifte gedaan van diefstal door middel van geweld of afpersing en bedreiging met de dood, gepleegd in de nacht van 4 december 2004. Zij heeft tegenover de politie verklaard dat zij die nacht als prostituee werkzaam was op het Zandpad in Utrecht en dat er op een gegeven moment een jongen de woonboot opkwam die zij later leerde kennen als verdachte. Zij heeft vervolgens aan verdachte en een persoon die verdachte zijn neefje noemde onder bedreiging van een pistool € 200,- aan hen gegeven.

Tijdens de overval heeft verdachte met de telefoon van aangeefster (volgens [slachtoffer 2] de enige telefoon die zij toentertijd in gebruik had) zijn eigen mobiele nummer gebeld, zodat hij de beschikking kreeg over haar telefoonnummer, aldus aangeefster.

Een eventuele bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten zou in hoofdzaak steunen op de door aangeefster [slachtoffer 2] afgelegde verklaringen. Alsdan zou moeten vaststaan dat de inhoud van deze verklaringen zodanig betrouwbaar is dat dit boven elke twijfel verheven is. Het hof acht dit niet het geval op grond van onder meer het volgende:

- [Slachtoffer 2] is zeer goed in staat om op een overtuigende wijze te pas en te onpas een leugenachtig verhaal te houden. Dit blijkt uit haar - deels tegenstrijdige - verklaringen, maar ook uit het feit dat zij dit zelf ter terechtzitting van het hof heeft beaamd. Zo heeft zij bijvoorbeeld verklaard over tussen haar en haar vriend [betrokkene 1] gevoerde telefoongesprekken dat het mogelijk is dat zij tegen [betrokkene 1] bepaalde dingen heeft gezegd om hetgeen haar zou zijn overkomen erger te maken. Zo heeft zij verklaard dat zij om half twee 's nachts is overvallen en toen zij [betrokkene 1] om vijf over half drie belde, vertelde zij hem dat ze iedere keer gebeld werd door verdachte, terwijl uit de printgegevens blijkt dat verdachte haar op dat moment slechts één keer heeft gebeld. Daarnaast heeft [slachtoffer 2] tegen de politie verklaard dat zij na de overval is afgeperst door verdachte. Ter terechtzitting van het hof heeft zij verklaard dat dat in werkelijkheid niet gebeurd is.

- In ieder geval in de periode van de tenlastegelegde feiten had [slachtoffer 2] omgang met personen uit de redelijk ondoorzichtige wereld van de zogenaamde "loverboys". Of en eventueel in hoeverre deze contacten bij (de beschuldigingen) van de tenlastegelegde feiten een rol hebben gespeeld is niet duidelijk geworden.

- Over "de afranseling en/of afrekening" van verdachte begin januari 2005, min of meer op verzoek van [slachtoffer 2], door de vriend [betrokkene 1] en enkele meegebrachte helpers wordt door [slachtoffer 2] verklaard alsof het de gewoonste zaak van de wereld is om op deze wijze een relatie te (laten) beëindigen.

- In het kader van een ander strafrechtelijk onderzoek zijn onder andere telefoongesprekken met aangeefster [slachtoffer 2] opgenomen. Uit het overzicht van de uitgewerkte telefoongesprekken in de nacht van 4 december 2004 blijkt dat [slachtoffer 2] diverse telefonische contacten heeft gehad met verschillende personen. Echter, het telefoontje dat verdachte volgens aangeefster gepleegd zou hebben om haar telefoonnummer te bemachtigen komt op het overzicht van de printlijst van de telefoontap niet voor.

Rond het gebeuren van het onder 2 tenlastegelegde blijven zoveel vragen en twijfels dat daarvan dient te worden vrijgesproken. Ook van het onder 1 tenlastegelegde acht het hof onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig, zeker nu - voor zover zulks al zou kunnen - een vergelijkbare modus operandi met het onder 2 tenlastegelegde feit gezien de vrijspraak daarvoor niet meer als steunbewijs gebruikt kan worden."

4.4. Blijkens de hiervoor onder 4.3 weergegeven overwegingen heeft het Hof in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte] de verklaring van de aangeefster [slachtoffer 2] onvoldoende betrouwbaar geacht. Anders dan waarvan in de aanvrage wordt uitgegaan, kan die enkele omstandigheid in de zaak van de aanvrager niet een ernstig vermoeden wekken als hiervoor onder 4.1 vermeld. Daar komt bij dat, naar volgt uit de hiervoor onder 3.2 weergegeven overweging, het Hof de betrouwbaarheid van [slachtoffer 2] onder ogen heeft gezien bij de behandeling van de strafzaak tegen de aanvrager en in diens zaak tot de slotsom is gekomen dat er geen grond is aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 2] te twijfelen. Voor zover in de aanvrage wordt bedoeld te betogen dat [slachtoffer 2] op haar aangifte jegens de aanvrager is teruggekomen, mist de aanvrage feitelijke grondslag aangezien dat in de hiervoor weergegeven overwegingen van het Hof niet valt te lezen.

4.5. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de aanvrage kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 24 november 2009.