Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BK3065

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-11-2009
Datum publicatie
13-11-2009
Zaaknummer
43842
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2006:BA0411, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 6:5 Awb. Bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Geen terugwijzing naar Inspecteur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009/2567 met annotatie van Kastelein
FutD 2009-2447
BNB 2010/11
V-N 2009/59.7

Uitspraak

Nr. 43 842

13 november 2009

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z, Polen (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 21 december 2006, nr. 00/02168, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. De Inspecteur heeft bij uitspraak het tegen de aanslag gemaakte bezwaar wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk verklaard.

Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben de zaak doen toelichten, belanghebbende door mr. dr. G.J.M.E. de Bont, advocaat te Breda, de Staatssecretaris door mr. S.R. Markus, advocaat te 's-Gravenhage.

Partijen hebben over en weer op elkaars schriftelijke toelichting gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. Middel III richt zich tegen het oordeel van het Hof dat de Inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het betoogt dat het Hof ten onrechte heeft verzuimd de brief van 25 januari 2000 van de gemachtigde van belanghebbende als bezwaarschrift aan te merken. De inhoud van die brief luidt als volgt:

"(...). De Belastingdienst, en in het bijzonder uw eenheid, is reeds geruime tijd bekend met het enige en juiste adres van cliënt:

d-straat 30

0000 CC Z, POLEN

Uit uw brief begrijp ik dat u desondanks de definitieve aanslag aan een ander, onjuist adres heeft gezonden. Op grond van de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad terzake, dienen de daaraan verbonden gevolgen voor uw rekening te blijven. Dit geldt temeer nu u met de verzending van de aanslag heeft gewacht tot het einde van de driejaarstermijn.

De definitieve aanslag inkomstenbelasting 1996 is derhalve niet tijdig vastgesteld.

In het licht hiervan verzoek, en voor zover nodig sommeer, ik u de voorlopige aanslag inkomstenbelasting 1996, aanslagnummer 002 te vernietigen, bij gebreke waarvan cliënt u zonder nadere aankondiging in rechte zal betrekken.

Uw bevestiging van de vernietiging zie ik gaarne per omgaande tegemoet."

3.2. Het middel slaagt. De inhoud van de onder 3.1 weergegeven brief laat geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende daarmee te kennen geeft dat hij - ook - bezwaar heeft tegen de onderhavige (definitieve) aanslag. Hieraan doet niet af dat de schriftelijke machtiging tot indiening van een bezwaarschrift eerst op 10 februari 2000 door belanghebbende is ondertekend (vgl. HR 3 februari 2006, nr. 41188, LJN AV0819, BNB 006/152). Evenmin doet hieraan af dat de gemachtigde nadien, in een brief van 17 februari 2000, aan de Inspecteur vraagt om toezending van het aanslagbiljet en de motivering voor de aanslag "opdat bezwaar kan worden gemaakt". De onder 3.1 weergegeven brief had daarom moeten worden aangemerkt als een (pro forma) bezwaarschrift tegen die aanslag. Nu deze als bezwaarschrift aan te merken brief is ingediend binnen zes weken na de dagtekening van het aanslagbiljet, heeft de Inspecteur het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

3.3. De overige middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.4. 's Hofs uitspraak en de uitspraak van de Inspecteur kunnen niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een inhoudelijke beoordeling van het beroep. De Hoge Raad ziet in dit geval af van terugwijzing naar de Inspecteur, nu belanghebbende en de Inspecteur zowel in de bezwaarfase als voor het Hof (subsidiair) ook de inhoudelijke kant van de zaak hebben behandeld. Opmerking verdient nog dat de verwerping van het eerste en vierde middel meebrengt dat na verwijzing ervan moet worden uitgegaan dat de aanslag binnen de daarvoor geldende termijn is opgelegd.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 105, alsmede het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van € 27,23 (ƒ 60), derhalve in totaal € 132,23,

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1127 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, A.H.T. Heisterkamp en M.W.C. Feteris, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2009.