Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BK2678

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-11-2009
Datum publicatie
10-11-2009
Zaaknummer
07/13166
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BK2678
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Strafmotivering. 1. Recidive 2. Indicatiepunten voor de straftoemeting. Ad 1. Het uittreksel uit het justitiële documentatieregister waarnaar het Hof heeft verwezen vermeldt inderdaad slechts één onherroepelijke veroordeling voor één enkel feit. Anders dan in het middel wordt betoogd dwingen de door het Hof gebezigde bewoordingen niet tot de uitleg dat het Hof het oog heeft gehad op (een) andere veroordeling(en) dan de zojuist genoemde. Ad 2. Indien de rechter bij de strafmotivering verwijst naar het door hem gehanteerde niveau van straftoemeting in soortgelijke gevallen, legt hij aan die motivering niet een feit ten grondslag waarvan ter terechtzitting moet zijn gebleken (vgl. HR LJN AD1594). Dat is niet anders indien dat niveau van straftoemeting, zoals i.c., is geconcretiseerd in "ressortelijke indicatiepunten". Het Hof behoefde die indicatiepunten aldus niet ttz ter sprake te brengen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 351
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2009, 381
NBSTRAF 2009/381
RvdW 2009, 1352
NJ 2009, 569
NJB 2009, 2162

Uitspraak

10 november 2009

Strafkamer

nr. S 07/13166

ABG

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 3 oktober 2007, nummer 22/002847-07, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren [te geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel komt op tegen de motivering van de opgelegde straf.

2.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"1. hij op 30 juni 2006 te 's-Gravenhage een pistool merk FT, type GT 28, zijnde een wapen van de categorie III, voorhanden heeft gehad;

2. hij te 's-Gravenhage, op 30 juni 2006, munitie van categorie III, te weten vijf patronen kaliber 8 mm, voorhanden heeft gehad."

2.3. Het Hof heeft de terzake daarvan aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van zes maanden als volgt gemotiveerd:

"De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte terzake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft een geladen pistool voorhanden gehad op de openbare weg. Tegen het onbevoegd voorhanden hebben van vuurwapens (met bijbehorende munitie) dient krachtig te worden opgetreden; het stijgend aantal slachtoffers van vuurwapengeweld in de samenleving en de (mede) daardoor veroorzaakte gevoelens van onveiligheid onderstrepen de noodzaak hiervan.

Blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 13 september 2007, is de verdachte eerder veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het hof rekening gehouden met het feit dat voor delicten als de onderhavige ressortelijke indicatiepunten worden gehanteerd en dat op grond van deze indicatiepunten bij de bepaling van de op te leggen straf een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden het uitgangspunt dient te zijn.

Naar het oordeel van het hof komen de ernst van het bewezenverklaarde en de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden onvoldoende tot uitdrukking in de door de advocaat-generaal gevorderde straf. Naar 's hofs oordeel is er in de onderhavige zaak geen aanleiding van de (gepubliceerde) indicatiepunten af te wijken.

Het is op deze grond dat het hof komt tot het opleggen van navermelde zwaardere straf.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt."

2.4.1. Het middel klaagt dat het Hof bij de strafoplegging in aanmerking heeft genomen dat de verdachte "eerder [is] veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten", terwijl het uittreksel uit het justitiële documentatieregister waarnaar het Hof in dat verband heeft verwezen slechts één onherroepelijke veroordeling voor één enkel feit vermeldt.

2.4.2. Het desbetreffende uittreksel bevindt zich bij de stukken van het geding. Daarop is één onheroepelijk geworden uitspraak vermeld, te weten een uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 11 februari 2005, waarbij de verdachte wegens - kort gezegd - diefstal met geweld tot straf is veroordeeld.

Anders dan in het middel wordt betoogd dwingen de door het Hof gebezigde bewoordingen niet tot de uitleg dat het Hof het oog heeft gehad op (een) andere veroordeling(en) dan de zojuist genoemde.

2.5. Het middel faalt dus.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel klaagt dat art. 6 EVRM is geschonden, althans dat de strafoplegging ontoereikend is gemotiveerd, nu het Hof indicatiepunten voor de straftoemeting in aanmerking heeft genomen die de verdachte kende noch behoorde te kennen en die ter terechtzitting niet aan de orde zijn geweest.

3.2. Indien de rechter bij zijn motivering van de op te leggen straf verwijst naar het door hem gehanteerde niveau van straftoemeting in soortgelijke gevallen, legt hij aan die motivering niet een feit ten grondslag waarvan ter terechtzitting moet zijn gebleken (vgl. HR 28 januari 1992, LJN AD1594, NJ 1992, 382). Dat is niet anders indien dat niveau van straftoemeting, zoals hier klaarblijkelijk het geval is, is geconcretiseerd in "ressortelijke indicatiepunten". Het Hof behoefde die indicatiepunten dus niet ter terechtzitting ter sprake te brengen. Het middel dat kennelijk van een andere opvatting uitgaat, faalt dus.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 10 november 2009.