Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BK2001

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-12-2009
Datum publicatie
22-12-2009
Zaaknummer
08/01435
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BK2001
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2007:BC2965, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Ondernemingsrecht. Later door ava bevestigd buiten algemene vergadering om door enig aandeelhouder genomen besluit tot ontslag van bestuurder ex 2:227 lid 4 BW juncto 2:15 BW vernietigbaar. Art. 2:227 lid 4 ook van toepassing op besluitvorming als bedoeld in art. 2:238 (vgl. HR 10 maart 1995, NJ 1995, 595). Een op de voet van art. 2:15 BW vernietigd besluit is, zoals volgt uit art. 3:53 lid 1 BW, van meet af aan niet rechtsgeldig geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2010, 16
RvdW 2010, 39
RO 2010, 18
RN 2010, 33
NJB 2010, 106
JRV 2010, 116
Arbeidsrecht in 50 uitspraken 2012, p. 316 met annotatie van F.B.J. Grapperhaus, W.J.M. Rauws, mr. M.J.A.C.. Driessen
JWB 2009/517
JAR 2010/20
JOR 2010/40 met annotatie van R.G.J. Nowak
AR-Updates.nl 2009-0995
XpertHR.nl 2011-365809
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 december 2009

Eerste Kamer

08/01435

DV/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

HAY GROUP INVESTMENT HOLDING B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. K.G.W. van Oven,

t e g e n

[Verweerder],

wonende te [woonplaats], Duitsland,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. R.A.A. Duk.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als HGIH en [verweerder].

1. Het geding in feitelijke instanties

[Verweerder] heeft bij exploot van 15 november 2004 HGIH gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam en gevorderd, voor zover in cassatie van belang,

- dat de rechtbank de besluiten die zijn genomen tijdens de aandeelhoudersvergadering van 7 december 2003 en 5 januari 2004 zal vernietigen,

- dat de rechtbank voor recht verklaart dat het door HGIH genomen bestuursbesluit van 9 februari 2004 nietig is.

HGIH heeft de vordering bestreden.

Na mondelinge behandeling heeft de rechtbank bij vonnis van 5 juli 2006 de vorderingen toegewezen.

Tegen dit vonnis heeft HGIH hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.

Het hof heeft, na mondelinge behandeling, bij arrest van 22 november 2007 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft HGIH beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor [verweerder] toegelicht door zijn advocaat en voor HGIH door mr. W.H. van Hemel, advocaat te Amsterdam.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) In januari 1978 is [verweerder] benoemd tot bestuurder van HGIH. Sedert 2001 is hij werkzaam als CEO op basis van een arbeidsovereenkomst met HGIH.

(ii) De algemene vergadering van aandeelhouders van HGIH (de ava) heeft op 7 december 2003 besloten [verweerder] met onmiddellijke ingang als bestuurder te ontslaan. Dit besluit is genomen buiten vergadering om door haar enig aandeelhouder Hay Group Partners Holding B.V., die werd vertegenwoordigd door [betrokkene 1]. Tevens heeft de ava besloten alle overige op dat moment in functie zijnde bestuurders van HGIH met onmiddellijke ingang te schorsen. De schorsing van twee van hen is op 17 december 2003 opgeheven.

(iii) Op 5 januari 2004 heeft de ava het ontslagbesluit van 7 december 2003 bevestigd. [Verweerder] was voor deze vergadering uitgenodigd om te worden gehoord omtrent zijn ontslag en om zijn raadgevende stem uit te brengen. Hij is niet op die uitnodiging ingegaan. De overige bestuurders zijn niet voor deze vergadering uitgenodigd.

(iv) Op 9 februari 2004 heeft een bestuursvergadering van HGIH plaatsgevonden waarin door de twee overgebleven, niet (langer) geschorste bestuurders is besloten de arbeidsovereenkomst met [verweerder] met onmiddellijke ingang te beëindigen "for good and reasonable cause and Just and Reasonable Cause".

3.2 De vorderingen van [verweerder] strekken tot vernietiging van de hiervoor in 3.1 onder (ii) en (iii) vermelde besluiten van de ava, en tot verklaring voor recht dat het hiervoor in 3.1 onder (iv) genoemde bestuursbesluit nietig is. De rechtbank heeft de vorderingen toegewezen en het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

3.3 Het hof heeft allereerst geoordeeld dat art. 2:227 lid 4 BW (ook) van toepassing is op besluitvorming buiten vergadering (rov. 3.5). Voorts heeft het hof (in rov. 3.11) overwogen dat [verweerder] als bestuurder met betrekking tot het ten processe bedoelde ontslagbesluit (van 7 december 2003) niet de mogelijkheid heeft gehad gebruik te maken van de hem op grond art. 2:227 lid 4 BW als bestuurder toekomende bevoegdheid. Dat hij van het tevoren genomen besluit van de Ownership Board (het leidinggevend orgaan van de top-vennootschap van de Hay-groep) hem te ontslaan telefonisch op de hoogte is gebracht door [betrokkene 2], die geen lid was van enig orgaan van HGIH, is onvoldoende om te kunnen worden beschouwd als een uitnodiging van de aandeelhouder aan de bestuurder om te reageren op het desbetreffende besluit of om een raadgevende stem te laten horen. Hieraan heeft het hof (in rov. 3.12 en 3.13) de conclusie verbonden dat dit besluit niet op rechtsgeldige wijze tot stand is gekomen en ingevolge art. 2:15 BW vernietigbaar is, hetgeen tot gevolg heeft dat [verweerder] bestuurder van HGIG was op het moment dat het besluit tot schorsing van de overige bestuurders werd genomen, zodat ook laatstvermeld besluit niet op de bij de wet voorgeschreven wijze tot stand is gekomen en terecht door de rechtbank is vernietigd, en dat het gevolg hiervan was dat ook de besluiten van 17 december 2003 en van 5 januari 2004 (vermeld hiervoor in 3.1 onder (ii) en (iii)) vernietigbaar zijn omdat niet alle bestuurders de gelegenheid hebben gehad hun raadgevende stem te laten horen. De vernietiging van het ontslagbesluit van 7 december 2003 heeft voorts tot gevolg dat het besluit van 9 februari 2004 (vermeld hiervoor in 3.1 onder (iv)) is genomen in strijd met het statutaire quorumvereiste, zodat het ingevolge art. 2:14 lid 1 BW nietig is.

3.4 Onderdeel 1 van het middel strekt ten betoge dat art. 2:227 lid 4 niet van toepassing is bij besluitvorming die op de voet van art. 2:238 BW op andere wijze dan in een vergadering is geschied. Het onderdeel faalt, omdat het voorschrift van art. 2:227 lid 4 in beginsel ook in acht moet worden genomen bij besluitvorming als bedoeld in art. 2:238 (HR 10 maart 1995, nr. 15577, LJN ZC1657, NJ 1995, 595). Zoals is vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.2 bestaat het voornemen dit uitdrukkelijk in de wet op te nemen, hetgeen een argument temeer vormt voor handhaving van genoemde rechtspraak.

3.5.1 Onderdeel 2 klaagt dat het hof een te strenge en daarmee onjuiste maatstaf heeft aangelegd bij de beoordeling of [verweerder] voldoende gelegenheid heeft gehad zijn in art. 2:227 lid 4 vermelde bevoegdheid uit te oefenen, door tot uitgangspunt te nemen dat hij daartoe door de aandeelhouder moet worden uitgenodigd, althans dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is in het licht van de omstandigheden dat:

i) de beslissing [verweerder] te ontslaan is genomen tijdens een vergadering van de Ownership Board;

ii) [betrokkene 2] hem gedurende die vergadering telefonisch op de hoogte heeft gesteld van die beslissing;

iii) [verweerder] wist dat Hay Group Partners Holding B.V. als aandeelhouder van HGIH op de kortst mogelijke termijn aan die beslissing gevolg zou moeten geven door hem daadwerkelijk te ontslaan;

iv) [verweerder] als geen ander wist dat besluiten van de ava van een besloten vennootschap buiten vergadering genomen kunnen worden.

Volgens het onderdeel is het oordeel van het hof ook innerlijk tegenstrijdig waar het enerzijds niet de eis stelt dat [verweerder] expliciet in de gelegenheid wordt gesteld zich over het besluit uit te laten maar anderzijds wel verlangt dat hij daartoe als bestuurder door de aandeelhouder wordt uitgenodigd.

3.5.2 Voor zover het onderdeel klaagt dat het hof de eis heeft gesteld dat [verweerder] door de aandeelhouder zelf had moeten zijn uitgenodigd voor de vergadering van de ava, gaat het uit van een verkeerde lezing van het oordeel van het hof en kan het dus bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

3.5.3 Voor zover het klaagt over onbegrijpelijkheid van het oordeel van het hof, faalt het onderdeel, nu het hof uit de hiervoor vermelde stellingen niet behoefde af te leiden dat [verweerder] wel in de gelegenheid is gesteld zijn bevoegdheid uit te oefenen.

3.5.4 Van innerlijke tegenstrijdigheid als in het onderdeel gesteld is geen sprake.

3.6 Onderdeel 3 verwijt het hof te zijn uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting over de terugwerkende kracht van de vernietiging van een besluit van een orgaan van een rechtspersoon als bedoeld in art. 2:15 BW, althans zijn oordeel op dit punt onvoldoende te hebben gemotiveerd. Het onderdeel faalt omdat het oordeel van het hof, zoals volgt uit art. 3:53 lid 1 BW, juist is.

De vernietiging van een besluit van een orgaan van een rechtspersoon brengt mee dat het besluit van meet af aan niet rechtsgeldig is geweest. Omdat de motiveringsklachten van het onderdeel voortbouwen op de hiervoor onjuist bevonden rechtsopvatting, falen zij eveneens.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt HGIH in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 374,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren E.J. Numann, A. Hammerstein, F.B. Bakels en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president F.H. Koster op 22 december 2009.