Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BK0909

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-10-2009
Datum publicatie
23-10-2009
Zaaknummer
08/00324
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting; art. 9, lid 1, letter e, Vpb; voor de aftrekbaarheid van emissiekosten is de aanwending van de door de emissie verkregen gelden niet relevant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009, 2339 met annotatie van Doornebal
FutD 2009-2296
BNB 2010/34
V-N 2009/53.17

Uitspraak

Nr. 08/00324

23 oktober 2009

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van de Rechtbank te Haarlem van 11 december 2007, nr. AWB 06/4824, betreffende een aan X N.V. te Z (hierna: belanghebbende) gerichte beschikking als bedoeld in artikel 20a, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst 2000).

1. Het geding in feitelijke instantie

De Inspecteur heeft, gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag in de vennootschapsbelasting van belanghebbende voor het jaar 2000, het bedrag van het verlies van dat jaar bij beschikking vastgesteld. De beschikking is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

De Rechtbank heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en het verlies over het jaar 2000 nader vastgesteld. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend. Daarbij is het eerste middel ingetrokken.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende heeft in het jaar 2000 overeenstemming bereikt over de overname van een buitenlandse groep. Om deze overname te financieren is besloten tot een emissie van aandelen. De emissie heeft plaatsgevonden in december 2000. De met de emissie verkregen gelden zijn aangewend ten behoeve van een buitenlandse kleindochtervennootschap van belanghebbende, die daarmee de overname van de groep heeft gefinancierd.

3.1.2. Een drietal financiële instellingen (hierna: de Underwriters) heeft aan belanghebbende verschillende diensten verleend ter zake van deze emissie. Voor deze dienstverlening was belanghebbende in het onderhavige jaar onder meer een zogenoemde 'underwriting discount' verschuldigd aan de Underwriters.

3.1.3. Voorts heeft een buitenlandse groepsvennootschap van belanghebbende advieskosten betaald die betrekking hadden op de emissie, maar nog niet aan belanghebbende waren doorbelast.

3.2. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de 'underwriting discount' en de advieskosten bij het bepalen van de winst van belanghebbende in aftrek komen. Daartoe heeft de Rechtbank overwogen dat beide kostensoorten betrekking hebben op de emissie, dat kosten van wijziging van het kapitaal in de zin van artikel 9, lid 1, aanhef en letter e, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst 2000; hierna: de Wet) op de winst in aftrek komen en dat deze kosten van uitbreiding van het kapitaal eigen zijn aan de rechtsvorm van belanghebbende en mitsdien niet kunnen worden gerekend tot kosten welke verband houden met een (buitenlandse) deelneming in de zin van artikel 13, lid 1, van de Wet.

3.3. Het tweede - thans nog enige - middel keert zich tegen dit oordeel met het betoog dat de kosten vallen onder de vrijstelling van artikel 13, lid 1, van de Wet, nu de met de emissie verkregen gelden niet ten behoeve van belanghebbende zelf zijn aangewend en een duidelijk verband bestaat tussen de gemaakte kosten en de vergroting van het belang in de buitenlandse kleindochter, die de overname van de groep heeft gefinancierd.

3.4. Het middel kan geen doel treffen. De onderhavige kosten zijn aan te merken als kosten van wijziging van het kapitaal en daardoor in beginsel aftrekbaar op grond van artikel 9, lid 1, aanhef en letter e, van de Wet. Voorts hebben deze kosten primair betrekking op het bestaan van belanghebbende als beursgenoteerde naamloze vennootschap; de kosten zijn niet afhankelijk van de wijze waarop het kapitaal zal worden aangewend. Dit brengt mee dat deze kosten niet op zodanige wijze verband houden met bepaalde door belanghebbende te behalen voordelen (in het onderhavige geval: voordelen uit de te verwerven buitenlandse groep), dat zij voor de toepassing van artikel 13, lid 1 van de Wet aan die voordelen moeten worden toegerekend.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, C.B. Bavinck, A.R. Leemreis en J.A.C.A. Overgaauw, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2009.

Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 447.