Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BK0895

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-10-2009
Datum publicatie
23-10-2009
Zaaknummer
07/12603
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

artikel 8:88 Awb, herziening bij getuigenverklaringen gegeven na de uitspraak van het Hof, betreffende waarnemingen van voor die datum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009/2408 met annotatie van Okhuizen
AB 2010, 20
NJB 2009, 1957
BNB 2010/33
Belastingadvies 2009/22.2
V-N 2009/52.12

Uitspraak

Nr. 07/12603

23 oktober 2009

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 28 augustus 2007, nr. BK-06/00185, betreffende het verzoek tot herziening van diens uitspraken van 13 maart 1998, nrs. BK-95/04334 tot en met BK-95/04337.

1. Loop van het geding tot dusverre

Belanghebbende heeft op 4 juni 2003 een verzoek aan het Hof gericht tot herziening van de uitspraken van

13 maart 1998, nrs. BK-95/04334 tot en met BK-95/04337. Bij uitspraak van 9 december 2003, nr. BK-03/01660, heeft het Hof dit verzoek niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak van het Hof is op het beroep van belanghebbende bij arrest van de Hoge Raad van 28 april 2006, nr. 40407, LJN AW4060, BNB 2006/214, vernietigd, met verwijzing van het geding naar dat Hof ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

Het Hof heeft het verzoek tot herziening bij de thans bestreden uitspraak afgewezen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Aan belanghebbende zijn voor de jaren 1989 tot en met 1994 verschillende naheffingsaanslagen opgelegd wegens exploitatie van een illegale speelgelegenheid (hierna: het casino).

3.1.2. Belanghebbende heeft steeds betwist dat hij de exploitant van het casino was en heeft BB aangewezen als de exploitant. Het Hof heeft bij uitspraken van 13 maart 1998, nrs. BK-95/04334 tot en met BK-95/04337 (hierna: de uitspraken van 1998), aannemelijk geacht dat belanghebbende gedurende het tijdvak van naheffing het casino exploiteerde. Belanghebbendes stelling dat BB de exploitant van het casino was, vond volgens het Hof noch in de afgelegde verklaringen, noch overigens voldoende steun. Het Hof heeft de naheffingsaanslagen in de kansspelbelasting en de omzetbelasting verminderd en de naheffingsaanslagen in de loonbelasting en de loonbelasting/premie volksverzekeringen in stand gelaten. Belanghebbendes beroepen in cassatie tegen de uitspraken van 1998 zijn door de Hoge Raad verworpen bij arresten van 24 maart 1999, nrs. 34295 tot en met 34298, waarvan het arrest met nummer 34295 is gepubliceerd (LJN AA2719 en BNB 1999/218).

3.1.3. Belanghebbende heeft het Hof verzocht om herziening van de uitspraken van 1998. Hij heeft dit verzoek onder meer gebaseerd op de inhoud van in het jaar 2000 afgelegde getuigenverklaringen, afkomstig uit een tegen hem gevoerd strafproces. Uit deze verklaringen blijkt volgens belanghebbende dat BB de exploitant van het casino was.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat deze verklaringen op zichzelf niet tot herziening kunnen leiden omdat zij eerst na de uitspraken van 1998 zijn afgelegd, en in zoverre geen sprake is van feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan voordat het Hof die uitspraken heeft gedaan. Het tegen dit oordeel gerichte middel II slaagt. De enkele omstandigheid dat de verklaringen na de uitspraken van 1998 zijn afgelegd sluit niet uit dat zij betrekking hebben op feiten en omstandigheden die hebben plaatsgevonden vóór die uitspraken, en aldus dienst kunnen doen ter vaststelling van een feit in de zin van artikel 8:88, lid 1, aanhef en letter a, van de Algemene wet bestuursrecht.

3.3. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat voor zover de verklaringen zijn afgelegd door personen die aan belanghebbende bekend waren, geen sprake is van feiten en omstandigheden die aan verzoeker redelijkerwijs niet bekend konden zijn vóór de uitspraken van 1998. Middel III, dat tegen dit oordeel is gericht, treft eveneens doel. De enkele omstandigheid dat de desbetreffende personen belanghebbende indertijd bekend waren sluit de mogelijkheid niet uit dat belanghebbende toen nog niet bekend was en evenmin bekend kon zijn met hun waarnemingen.

3.4. Middel I kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.5. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een hernieuwde beoordeling van het verzoek tot herziening.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 106, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, A.H.T. Heisterkamp, M.W.C. Feteris en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2009.