Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BK0887

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-12-2009
Datum publicatie
08-12-2009
Zaaknummer
07/13475
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BK0887
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 180.3 WVW1994; tenuitvoerlegging ontzegging van de rijbevoegdheid eerst na uitreiking van een schrijven aan verdachte in persoon. Vzv. het middel berust op de opvatting dat het bewijs dat het schrijven aan verdachte ip is uitgereikt enkel geleverd kan worden d.m.v. een akte van uitreiking, faalt het omdat die opvatting geen steun vindt in het recht. Het Hof heeft uit de inhoud van de bewijsmiddelen kennelijk en niet onbegrijpelijk afgeleid dat het schrijven aan verdachte ip is uitgereikt en dat de ontzegging van de rijbevoegdheid is aangevangen vóór de datum van het tenlastegelegde feit. Dat oordeel behoeft, ook in het licht van hetgeen ttz. in HB is aangevoerd, geen nadere motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 24
NJB 2010, 52
Module Rijbewijzen 2014/470
VR 2010, 94
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 december 2009

Strafkamer

nr. S 07/13475

CB/SM

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden, Enkelvoudige Kamer, van 21 november 2007, nummer 24/002818-06, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel behelst de klacht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat het schrijven als bedoeld in art. 180, derde lid, WVW 1994 aan de verdachte in persoon is uitgereikt.

2.2.1. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

"hij op 16 maart 2006, te Heerenveen, in de gemeente Heerenveen, terwijl hij wist dat hem bij rechterlijke uitspraak de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd, gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid was ontzegd, op de weg, het Akkersplein, een motorrijtuig (bromfiets) heeft bestuurd."

2.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Ik reed op 16 maart 2006 op het Akkersplein te Heerenveen op de bromfiets. Ik weet dat ik niet op de bromfiets of in de auto mag rijden. Volgens mij heb ik nog een ontzegging."

b. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

"Op 16 maart 2006 bleek na controle bij de Dienst Wegverkeer dat [verdachte] de bevoegdheid tot het besturen van een motorrijtuig was ontzegd van 3 januari 2006 tot 30 september 2006."

2.2.3. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig de door hem overgelegde pleitaantekeningen, die onder meer het volgende inhouden:

"Uit het dossier blijkt niet dat de ontzegging van de rijbevoegdheid aan [verdachte] in persoon is betekend, zodat niet kan worden beoordeeld of de rijontzegging daadwerkelijk is aangevangen. Nu niet blijkt dat aan artikel 180 lid 3 van de Wegenverkeerswet is voldaan, kan niet worden geconstateerd of de ontzegging is ingegaan. Indien de ontzegging niet is ingegaan, dient [verdachte] van het hem onder 2 tenlastegelegde te worden vrijgesproken."

2.3.1. De tenuitvoerlegging van de bijkomende straf van ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen geschiedt ingevolge art. 180, derde lid, WVW 1994 niet dan nadat aan de veroordeelde overeenkomstig de art. 587 en 588 Sv in persoon een schrijven is uitgereikt waarin onder andere het tijdstip van ingang van de ontzegging wordt meegedeeld.

2.3.2. Voor zover het middel berust op de opvatting dat het bewijs dat het schrijven als hiervoor bedoeld aan de verdachte in persoon is uitgereikt, enkel geleverd kan worden door middel van een akte van uitreiking, faalt het omdat die opvatting geen steun vindt in het recht.

2.3.3. Het Hof heeft uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kennelijk en niet onbegrijpelijk afgeleid dat het schrijven aan de verdachte in persoon is uitgereikt en dat de ontzegging van de rijbevoegdheid is aangevangen vóór de datum van het tenlastegelegde feit. Dat oordeel behoeft, ook in het licht van hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep door de raadsman is aangevoerd, geen nadere motivering. Ook in zoverre faalt het middel.

3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de hoogte van de aan de verdachte opgelegde geldboete van € 250,- en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 8 december 2009.