Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BJ9796

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-12-2009
Datum publicatie
22-12-2009
Zaaknummer
07/11866
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BJ9796
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Belediging. In geval van een belediging die iemand mondeling in zijn tegenwoordigheid is aangedaan, moet een uitlating als beledigend worden beschouwd wanneer zij de strekking heeft die ander aan te randen in zijn eer en goede naam. Het oordeel dat daarvan sprake is zal bij woorden waarvan het gebruik op zichzelf in het algemeen niet beledigend is, afhangen van de context waarin de uitlating is gedaan. ’s Hofs oordeel dat de uitlating van verdachte "Wat moet je nou mafkees?" de strekking heeft degene tot wie zij is gericht in zijn eer en goede naam aan te tasten, is - in het licht van de omstandigheden waaronder die uitlating is gedaan, - onjuist, noch onbegrijpelijk. De opvatting dat van een politieagent mag worden verwacht "dat deze in een gegeven situatie meer moet kunnen verdragen dan anderen, waar het eventueel beledigende uitlatingen betreft" vindt geen steun in het recht (vgl. HR LJN BI5623).

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 266
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 70
NJ 2010/671 met annotatie van Y. Buruma
NJB 2010, 130
NBSTRAF 2010/15
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 december 2009

Strafkamer

nr. S 07/11866

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, zitting houdende te Leeuwarden, Enkelvoudige Kamer, van 12 september 2007, nummer 24/000650-07, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. V.C. van der Velde, advocaat te Almere, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde feit en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het derde middel

2.1. Het middel klaagt over de bewezenverklaring van feit 2.

2.2. Ten laste van de verdachte heeft het Hof onder 2 bewezenverklaard dat:

"hij op 28 september 2006 in de gemeente Almere opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [verbalisant 1], surveillant van politie Almere, gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, hem in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "Wat moet je nou, mafkees".

2.3. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van de politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

"Op 28 september 2006 waren wij belast met het toezicht in het Centrum van Almere Stad Oost. Wij hoorden dat de jongen, welke later bleek te zijn [verdachte], eerstgenoemde verbalisant meerdere malen beledigde. Hij riep luidkeels en herhaaldelijk "Wat moet je nou, mafkees" en hij keek in de richting van eerstgenoemde verbalisant."

b. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [verbalisant 1]:

"Ik was belast met het toezicht in Almere Stad Oost op 28 september 2006. [Verdachte] riep luidkeels tegen mij: "wat moet je nou mafkees" en hij keek daarbij in mijn richting. Er was veel winkelend publiek aanwezig. Ik voelde mij daardoor in mijn eer en goede naam aangetast."

c. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Op 28 september 2006 ben ik met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] naar de kledingwinkel "[A]" in [plaats] gegaan. Vervolgens zijn we in de richting van de Mediamarkt gegaan. [Betrokkene 1] en ik zijn aangehouden bij de Konmar."

2.4. De bewezenverklaring houdt in dat het hier gaat om een belediging die iemand mondeling in zijn tegenwoordigheid is aangedaan. In een dergelijk geval moet een uitlating als beledigend worden beschouwd wanneer zij de strekking heeft die ander aan te randen in zijn eer en goede naam. Het oordeel dat daarvan sprake is zal bij woorden waarvan het gebruik op zichzelf in het algemeen niet beledigend is, afhangen van de context waarin de uitlating is gedaan.

2.5. Het kennelijke oordeel van het Hof dat de uitlating van de verdachte "Wat moet je nou mafkees?" de strekking heeft degene tot wie zij is gericht in zijn eer en goede naam aan te tasten, geeft - in het licht van de omstandigheden waaronder die uitlating is gedaan, zoals daarvan blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen - geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. De aan het middel ten grondslag liggende opvatting dat van een politieagent mag worden verwacht "dat deze in een gegeven situatie meer moet kunnen verdragen dan anderen, waar het eventueel beledigende uitlatingen betreft" vindt geen steun in het recht (vgl. HR 22 september 2009, LJN BI5623, NJ 2009, 466).

2.6. Het middel faalt.

3. Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde geldboete van € 300,-, subsidiair zes dagen hechtenis en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, J. de Hullu, C.H.W.M. Sterk en M.A. Loth, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 22 december 2009.