Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BJ9350

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-12-2009
Datum publicatie
23-12-2009
Zaaknummer
08/02071 E
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BJ9350
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 10.16 Telecommunicatiewet; vergunningstelsel. Beroep op art. 10 EVRM jo. art. 19 IVBPR: recht op ‘freedom of expression’, i.c. bestaande in het verzorgen van radiouitzendingen. Beperking van genoemd recht, als gevolg van het handhavend overheidsoptreden dient in het concrete geval te voldoen aan art. 10.2 EVRM gestelde eisen. In ’s Hofs oordeel ligt besloten dat het de i.c. bij wet voorziene beperking van verdachtes recht op vrije meningsuiting in het belang van de bescherming van de openbare veiligheid en de openbare orde alsmede de rechten van anderen noodzakelijk heeft geacht en mitsdien in overeenstemming met art. 10 EVRM en art. 19 IVBPR. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat dient te worden uitgegaan van de veronderstelling dat de opsporing en vervolging van het zonder vergunning verzorgen van radiouitzendingen o.g.v. de Telecommunicatiewet strekt tot handhaving van die wet met het oog op de legitieme doelstellingen daarvan en ter vermijding van ontduiking van de o.b.v. die wet bestaande vergunningplicht, terwijl door de verdediging niet is aangevoerd dat de opsporing en vervolging i.c. in wezen een vorm van censuur betrof t.a.v. de inhoud van de door verdachte verzorgde radiouitzendingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 87
NJ 2010, 32
NJB 2010, 138
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 december 2009

Strafkamer

Nr. 08/02071 E

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, Economische Kamer, van 13 juni 2007, nummer 22/005819-06, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.A.R. Schuckink Kool, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van het eerste en het tweede middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beoordeling van het derde middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof het beroep van de verdachte op art. 10 EVRM en art. 19 IVBPR ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.

3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 17 mei 2004 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk radiozendapparaten, te weten

1) een zelfbouw radiozendapparaat en

2) een zelfbouw audioversterker en

3) een mengpaneel (model PWR-M6X) en

4) een hoofdtelefoon (model HD410SL) en

5) een microfoon (model AKGD120E) en

6) twee/een compact disc(s)

7) twee/een CD hoesje(s) en

8) een compact disc player (merk Sony) en

9) een stereo cassettedeck (merk Technics) en

10) een compact disc player (merk JVC) en

11) een stereo limiter (merk DR) en

12) twee/een draaitafel(s) (merk Reloop) en

13) diverse/een aansluitsnoer(en) en

14) een FM/AM stereo receiver (merk Technics) en

15) een stereo cassettedeck (merk Sony) en

16) een voedingsapparaat (zelfbouw) en

17) twee/een luidsprekerbox(en) (merk JVC) en

18) een telefoontoestel

heeft aangelegd, aanwezig heeft gehad en heeft gebruikt, terwijl voor het gebruik ervan aan de houder van die radiozendapparaten op grond van hoofdstuk 3 van de Telecommunicatiewet geen vergunning voor het gebruik van frequentieruimte was verleend."

3.3. Het Hof heeft omtrent het in het middel bedoelde verweer het volgende overwogen en beslist:

"Ter terechtzitting zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte aangevoerd dat artikel 10.16 van de Telecommunicatiewet onverbindend is wegens strijd met hogere regelgeving, te weten de Machtigings- en Kaderrichtlijn van de Europese Unie (EG 2002/20 en 2002/21), en enige hierna te noemen verdragsbepalingen, en dus dat daarom het tenlastegelegde feit - indien bewezen - geen strafbaar feit oplevert.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Blijkens artikel 10.16 van de Telecommunicatiewet is een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte nodig. In hoofdstuk 3 van de Telecommunicatiewet is geregeld dat zowel publieke als commerciële omroepen in aanmerking komen voor een vergunning. De activiteiten van [A], waaraan de verdachte meewerkte, dienen naar het oordeel van het hof te worden aangemerkt als die van een commerciële omroep. [A] beschikte niet over een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte, terwijl de uitzonderingsbepalingen van artikel 10.16, tweede lid van de Telecommunicatiewet niet van toepassing zijn. Dit is conform bovengenoemde machtigings- en Kaderrichtlijn van de Europese Unie. Van strijdigheid met de Europese regeling is geen sprake.

Artikel 10 van het Europese verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 19 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (BUPO) strekken beide tot bescherming van de vrijheid van meningsuiting. Artikel 10.16 van de Telecommunicatiewet is niet in strijd met een van deze bepalingen.

Artikel 10, eerste lid van het EVRM luidt: 'Dit artikel belet Staten niet radio-, omroep-, bioscoop-, of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.' Artikel 19, derde lid onder c, van het BUPO maakt het mogelijk dat aan de vrijheid van meningsuiting beperkingen worden opgelegd met het oog op onder meer de openbare orde. Het beheer van de etherfrequentieruimte, zoals geregeld in de Telecommunicatiewet, is een zaak van openbare orde.

Naar het oordeel van het hof past de regeling van artikel 10.16 van de Telecommunicatiewet binnen de door de verdragsbepaling getrokken grenzen, en heeft de wetgever daarbij de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid niet geschonden.

Het hof verwerpt op bovenstaande gronden het door de verdediging gevoerde verweer."

3.4. De verdragsbepalingen waarop in het middel een beroep wordt gedaan, luiden als volgt:

- Art. 10 EVRM:

"1. Everyone has the right to freedom of expression. This right shall include freedom to hold opinions and to receive and impart information and ideas without interference by public authority and regardless of frontiers. This Article shall not prevent States from requiring the licensing of broadcasting, television or cinema enterprises.

2. The exercise of these freedoms, since it carries with it duties and responsibilities, may be subject to such formalities, conditions, restrictions or penalties as are prescribed by law and are necessary in a democratic society, in the interests of national security, territorial integrity or public safety, for the prevention of disorder or crime, for the protection of health or morals, for the protection of the reputation or rights of others, for preventing the disclosure of information received in confidence, or for maintaining the authority and impartiality of the judiciary."

- Art. 19 IVBPR:

"1. Everyone shall have the right to hold opinions without interference.

2. Everyone shall have the right to freedom of expression; this right shall include freedom to seek, receive and impart information and ideas of all kinds, regardless of frontiers, either orally, in writing or in print, in the form of art, or through any other media of his choice.

3. The exercise of the rights provided for in paragraph 2 of this article carries with it special duties and responsibilities. It may therefore be subject to certain restrictions, but these shall only be such as are provided by law and are necessary:

(a) For respect of the rights or reputations of others;

(b) For the protection of national security or of public order (ordre public), or of public health or morals."

3.5. Deze bepalingen waarborgen onder meer het recht op "freedom of expression" bestaande in het verzorgen van radiouitzendingen. Zowel art. 10 EVRM als art. 19 IVBPR staat echter beperkingen toe op dit in die bepalingen neergelegde recht, voor zover deze in een democratische samenleving noodzakelijk zijn onder meer ter handhaving van de openbare veiligheid en de openbare orde alsmede ter bescherming van de rechten van anderen. Voorts staat art. 10, eerste lid, EVRM uitdrukkelijk toe dat het verzorgen van radiouitzendingen aan een vergunningenstelsel wordt onderworpen, voor zover een dergelijk stelsel strekt tot regulering van de technische aspecten van radiouitzendingen (vgl. EHRM 28 maart 1990,

nr. 10890/84 (Groppera Radio AG and others tegen Zwitserland), NJ 1991, 739 en EHRM 24 november 1993,

nr. 13914/88 (Informationsverein Lentia and others tegen Zwitserland), NJ 1994, 559).

3.6. Uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot invoering van de Telecommunicatiewet, volgt dat het bij die wet voorziene vergunningenstelsel ten aanzien van radiouitzendingen ertoe strekt de schaarse frequentieruimte op ordelijke wijze te verdelen aan de hand van objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria (Kamerstukken II 1996/97, 25533, nr. 3, p. 12 en 14), hetgeen niet in strijd is met art. 10, eerste lid, EVRM.

3.7. Uit de hierboven aangehaalde rechtspraak van het EHRM volgt dat, ook indien in een geval als het onderhavige zonder vereiste vergunning is gehandeld, getoetst moet worden of de beperking van het recht op "freedom of expression" die het gevolg is van het handhavend overheidsoptreden, in het concrete geval voldoet aan de in het tweede lid van art. 10 EVRM gestelde eisen.

3.8. In het oordeel van het Hof ligt besloten dat het de onderhavige bij wet voorziene beperking van verdachtes recht op vrije meningsuiting in het belang van de bescherming van de openbare veiligheid en de openbare orde alsmede de rechten van anderen noodzakelijk heeft geacht en mitsdien in overeenstemming met art. 10 EVRM en art. 19 IVBPR. Dat oordeel van het Hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat dient te worden uitgegaan van de veronderstelling dat de opsporing en vervolging van het zonder vergunning verzorgen van radiouitzendingen op grond van de Telecommunicatiewet strekt tot handhaving van die wet met het oog op de legitieme doelstellingen daarvan en ter vermijding van ontduiking van de op basis van die wet bestaande vergunningplicht, terwijl door de verdediging niet is aangevoerd dat de opsporing en vervolging in de onderhavige zaak in wezen een vorm van censuur betrof ten aanzien van de inhoud van de door de verdachte verzorgde radiouitzendingen.

3.9. Het middel faalt.

4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde geldboete van € 250,-, subsidiair 5 dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 22 december 2009.