Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BJ9076

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-11-2009
Datum publicatie
25-11-2009
Zaaknummer
07/12353
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BJ9076
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verstek, appeldagvaarding. Het in het arrest besloten liggende oordeel dat verdachte behoorlijk is gedagvaard, is niet zonder meer begrijpelijk.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 588
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2010, 2
NBSTRAF 2010/2
RvdW 2009, 1441
NJB 2009, 2268

Uitspraak

24 november 2009

Strafkamer

nr. 07/12353

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 17 januari 2007, nummer 21/002121-06, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.T.A.G. Keller, advocaat te Tilburg, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem dan wel verwijzing naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt over het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het Hof dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend.

2.2. De stukken van het geding houden het volgende in.

(a) Bij vonnis van 28 november 2003 is de verdachte door de Rechtbank te Arnhem bij verstek veroordeeld. Het vonnis vermeldt als adres van de verdachte [a-straat 1] te [plaats].

(b) Op 8 mei 2006 is de mededeling uitspraak van het vonnis aan de verdachte in persoon betekend. De aan het dubbel van die mededeling gehechte akte van uitreiking vermeldt als adres van de verdachte [b-straat 1] te [plaats].

(c) Op 11 mei 2006 heeft de verdachte door middel van een verklaring als bedoeld in art. 451a, eerste lid, Sv hoger beroep ingesteld. In die verklaring is geen adres van de verdachte vermeld.

(d) Op 16 oktober 2006 is de dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep van 3 januari 2007 uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank te Arnhem, omdat "van geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is". Een aan het dubbel van die dagvaarding gehecht GBA-overzicht van 19 december 2006 houdt in dat de verdachte van 13 december 2002 tot 17 november 2003 stond ingeschreven op het adres [a-straat 1] te [plaats], dat van de verdachte sinds 17 november 2003 geen vaste woon- of verblijfplaats bekend was en dat hij op 19 december 2006 niet gedetineerd was.

(e) Een tweede akte van uitreiking, gehecht aan het dubbel van die dagvaarding, is, na een vergeefse poging tot uitreiking op het adres [a-straat 1] te [plaats], op 17 november 2006 uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank te Arnhem, omdat "van geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is". In deze akte van uitreiking is tevens vermeld dat een afschrift van de dagvaarding op dezelfde dag is verzonden naar genoemd adres.

(f) Op de terechtzitting van het Hof van 3 januari 2007 is de verdachte noch een raadsman verschenen en is tegen de verdachte verstek verleend. Het proces-verbaal van die terechtzitting vermeldt dat de verdachte "zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande" is.

2.3. Ingevolge art. 588, eerste lid aanhef en onder b sub 3°, Sv wordt een dagvaarding uitgereikt aan de griffier van de rechtbank indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is. Onbekendheid van een feitelijke woon- of verblijfplaats kan evenwel niet worden aangenomen, indien niet is getracht de uitreiking van de dagvaarding te doen plaatsvinden op een uit de stukken van het geding blijkend - voor de hand liggend en niet door een latere opgave achterhaald - adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden, zoals - in geval in de appelakte of in de verklaring als bedoeld in art. 451a Sv geen woon- of verblijfplaats is vermeld - het adres dat de verdachte bij de betekening van de uitspraak in eerste aanleg heeft opgegeven (vgl. HR 12 maart 2002, LJN AD5163, NJ 2002, 317 rov. 3.24 sub b).

2.4. Mede gelet hierop en in aanmerking genomen dat uit de stukken niet blijkt dat is getracht de appeldagvaarding uit te reiken aan het hiervoor onder 2.2 sub (b) vermelde adres, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is geschied, is het in het bestreden - bij verstek gewezen - arrest besloten liggende oordeel dat de verdachte behoorlijk is gedagvaard, niet zonder meer begrijpelijk. Het middel is dus terecht voorgesteld.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, zodat het tweede middel geen bespreking behoeft. De Hoge Raad zal de appeldagvaarding om doelmatigheidsredenen nietig verklaren.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

verklaart de dagvaarding in hoger beroep nietig.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 24 november 2009.