Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BJ8660

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-11-2009
Datum publicatie
24-11-2009
Zaaknummer
08/01334
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BJ8660
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verzoek toevoeging stukken. Maatstaf. Uit ’s Hofs beslissing kan niet volgen of het Hof de juiste maatstaf (noodzaak) heeft toegepast. Indien het Hof de juiste maatstaf heeft toegepast, is zijn motivering niet zonder meer begrijpelijk, in aanmerking genomen dat het niets heeft vastgesteld omtrent de aard van de door de raadsman bedoelde stukken en evenmin of de inhoud van deze stukken redelijkerwijze van belang kunnen zijn voor enige i.c. te nemen beslissing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 1443
NJB 2009, 2267

Uitspraak

24 november 2009

Strafkamer

nr. 08/01334

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 22 juni 2007, nummer 21/002737-05, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam zitting houdende te Arnhem teneinde in hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het tweede middel

2.1. Het middel klaagt onder meer dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, een verzoek van de verdediging heeft afgewezen.

2.2.1. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat:

"hij op tijdstippen in de periode van:

A 1 november 1999 tot en met 31 januari 2001 te Gieten, gemeente Aa en Hunze tezamen en in vereniging met een ander meermalen, -telkens- als degene aan wie - op grond van de bepalingen van de Algemene Bijstandswet - bijstand was toegekend, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, - te weten een formulier van de Gemeentelijke Sociale Dienst van de gemeente Aa en Hunze, waarop ter vaststelling door die Dienst of en zo ja tot welk bedrag een uitkering krachtens de Algemene Bijstandwet aan hem, verdachte diende te worden toegekend of voortgezet, door hem, verdachte over de periode voornoemd opgave moest worden gedaan van (gewijzigde) omstandigheden/gegevens die van invloed zouden kunnen zijn op die bijstandverlening - valselijk heeft opgemaakt, immers opzettelijk valselijk niet op dat formulier heeft vermeld dat hij, verdachte in de betreffende periode werkzaamheden had verricht (als zelfstandig ondernemer) en aldus uit dien hoofde inkomsten had en/of te goed had en dat formulier met zijn naam heeft ondertekend ter bevestiging van de juistheid der daarin gedane opgaven, zulks met het oogmerk om dat aldus opgemaakte en ondertekende geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken."

2.2.2. Deze bewezenverklaring berust onder meer op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden buitengewoon opsporingsambtenaar en als sociaal rechercheur werkzaam in het Samenwerkingsverband sociale recherche Fryslân, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

"Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Friesland

Wij zagen, dat bij de Kamer van Koophandel de volgende ondernemingen stonden geregistreerd:

[A] B. V. i.o., adres [a-straat 1] te [plaats], datum vestiging: 1 november 1999, bedrijfsomschrijving: "in- en verkoop (on)roerend goed, bemiddeling, verhuur (on)roerend goed in zowel binnen- als buitenland, exploitatie drukkerij", bevoegd functionaris [B] B. V. i.o., [a-straat 1] te [plaats], datum in diensttreding 1 november 1999.

[B] B.V. i.o., adres [a-straat 1] te [plaats], datum vestiging; 1 november 1999, bedrijfsomschrijving : "Beheren en beleggen", bevoegd functionaris [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1954 te [geboorteplaats].

Er zijn in de jaren 2000-2001 vijf zaken bekend geworden terzake (poging tot) oplichting door [verdachte].

Aangifte I

Op 4 juli 2000 deed [betrokkene 1] aangifte van oplichting. Zakelijk weergegeven verklaarde de aangever het volgende:

In mei 2000 zag hij een advertentie in De Telegraaf staan waarin een discotheek te Spanje te koop werd aangeboden. Aangever belde het telefoonnummer wat in de advertentie stond en kwam in contact met de aanbieder die vertelde [verdachte] te zijn, eigenaar van de Worldwide Investment Group uit [plaats]. Aangever kwam tot zaken met [verdachte] en deed op 6 juni 2000 een aanbetaling van fl. 50.000,00. [Verdachte] kon de discotheek niet leveren en weigerde het bedrag terug te geven aan aangever.

Aangifte II

In januari 2000 komt de familie [D] in aanraking met [verdachte] via eveneens een advertentie en de website op het internet, over de huur van een bar/cafetaria te Torremolinos (Spanje) en overname inventaris. Er werden voorschotten betaald voor de huur, overnamekosten, inventaris etc. tot fl. 79.000,00. Ter plaatse bleek het pand gerund te worden door een Belg, zijnde de voormalig compagnon van [verdachte], die het pand huurde van de gemeente."

b. een proces-verbaal, opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], beiden sociaal rechercheur, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar bij de sociale recherche Lemsterland, voor zover inhoudende verklaring van [betrokkene 2]:

"Ik ben via internet in aanraking gekomen met het bedrijf van [verdachte]. Dit zal in februari of maart 2001 zijn geweest. [Verdachte] bood mij een pand aan in Spanje. Dit was een cafetaria. Ik moest f 30.000,- aanbetalen en de rest kon ik in maandelijkse termijnen aflossen. Het bedrijf was gevestigd in [plaats]. Samen met mijn broer ben ik naar [plaats] gereden en heb f 30.000,- contant aan [verdachte] betaald. Ik ben naar Spanje gereden. Ik kwam er achter dat zij niet konden leveren wat zij aanboden. Ik heb toen contact opgenomen met [verdachte] en [betrokkene 3] en gezegd dat ik van de koop afwilde. Dit ging echter niet. Ik ben toen terug gereden naar [plaats]. [Verdachte] gaf aan dat hij geen geld had om mij terug te betalen. [Verdachte] gaf aan dat het geld weg was en bood aan dat ik dan wel bij hem in dienst kon komen zodat hij mij op deze manier terug kon betalen. Ik heb toen nagedacht en heb toen gekozen voor het werken van [verdachte]. Ik verkocht wel eens wat en dit geld ging dan naar [verdachte]. Ik ben gaan spitten en kwam er achter dat de panden die ik verkocht eigenlijk niet in het bezit waren van [verdachte]. Eind november 2001 kwam ik er achter dat op alles beslag lag."

2.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 juni 2007 houdt het volgende in als weergave van het in het middel bedoelde verzoek en als beslissing op dat verzoek van het Hof:

"De raadsman van verdachte voert - zakelijk weergegeven - als volgt het woord:

Mijn cliënt heeft verklaard dat hij naar aanleiding van de zakelijke contacten met [betrokkene 1], [D] en [betrokkene 2] geen inkomen heeft ontvangen in de periode waarin hij een bijstandsuitkering heeft ontvangen. Gehoord hebbende de ondervraging van mijn cliënt wil ik het hof verzoeken het onderzoek ter terechtzitting aan te houden teneinde mijn cliënt in de gelegenheid te stellen stukken aan te reiken om deze stellingen te onderbouwen.

(...)

De voorzitter hervat het onderzoek. De voorzitter deelt als beslissing van het hof mede dat het onderzoek ter terechtzitting niet zal worden aangehouden omdat er al eerder een aanhouding is geweest op verzoek van de verdediging teneinde door de rechter-commissaris getuigen te laten horen en dat bovendien alles wat vandaag besproken is uit het dossier volgt en dus geen verrassing voor de verdediging hoeft te zijn."

2.4. Het verzoek van de raadsman om aanhouding van de behandeling van de zaak teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen om zijn ter terechtzitting afgelegde verklaring te kunnen onderbouwen met stukken, is een verzoek in de zin van art. 331, eerste lid, in verbinding met art. 328 Sv om toepassing te geven aan art. 315 Sv. Die bepalingen zijn ingevolge art. 415 Sv ook in hoger beroep van toepassing. Maatstaf bij de beslissing op een zodanig verzoek is of de noodzaak daarvan is gebleken.

Uit 's Hofs hiervoor onder 2.3 weergegeven beslissing op het verzoek kan niet volgen dat het die maatstaf voor ogen heeft gehad. Indien het Hof die maatstaf wel voor ogen heeft gehad, is zijn motivering niet zonder meer begrijpelijk, in aanmerking genomen dat het niets heeft vastgesteld omtrent de aard van de door de raadsman bedoelde stukken en evenmin of de inhoud van deze stukken redelijkerwijze van belang zou kunnen zijn voor enige in de onderhavige strafzaak door het Hof te nemen beslissing.

2.5. Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de middelen voor het overige geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 24 november 2009.