Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BJ7246

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-12-2009
Datum publicatie
15-12-2009
Zaaknummer
08/00229 A
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BJ7246
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Antilliaanse zaak. Mededeling verdachte blijkt niet uit het pv ttz. HR wint inlichtingen in. Het middel bevat de klacht dat het Hof bij de verwerping van het verweer betreffende de fotoconfrontaties in aanmerking heeft genomen dat verdachte over het geopend houden van zijn lippen waarbij zijn gouden tanden zichtbaar zijn, in h.b. heeft verklaard: "dat is mijn stijl", terwijl uit het pv ttz. in h.b. niet blijkt dat de verdachte zodanige verklaring heeft afgelegd. De HR heeft ex art. 83 RO inlichtingen ingewonnen bij de voorzitter van het Hof, waarop per brief is gereageerd. O.g.v. de inhoud van deze brief moet het ervoor worden gehouden dat a.g.v. een kennelijke misslag is verzuimd het in het middel bedoelde deel van de verklaring van verdachte op te nemen in het pv ttz. in h.b. De HR leest het pv met verbetering van die misslag. Daardoor mist het middel feitelijke grondslag, zodat het faalt. Conclusie AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 79
NJ 2010, 24
NJB 2010, 113
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 december 2009

Strafkamer

nr. S 08/00229 A

ABG/SM

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 20 december 2007, nummer H76/2006, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren [te geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in het Huis van Bewaring "Bon Futuro" op CuraƧao.

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, teneinde deze op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

1.2. Op door de Hoge Raad ambtshalve ingewonnen nadere inlichtingen heeft de raadsman gereageerd bij brief van 6 november 2009.

De Advocaat-Generaal heeft medegedeeld af te zien van het nemen van een nadere conclusie.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof bij de verwerping van het verweer betreffende de fotoconfrontaties in aanmerking heeft genomen dat de verdachte over het geopend houden van zijn lippen waarbij zijn gouden tanden zichtbaar zijn, in hoger beroep heeft verklaard: "dat is mijn stijl", terwijl uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep niet blijkt dat de verdachte zodanige verklaring heeft afgelegd.

2.2. De Hoge Raad heeft op de voet van art. 83 RO inlichtingen ingewonnen bij de voorzitter van het Hof. Deze heeft per brief van 4 november 2009 aan de Hoge Raad onder meer medegedeeld:

"Ter terechtzitting in hoger beroep werden door het Hof aan de verdachte de foto's getoond die bij de fotoconfrontatie waren gebruikt. De verdachte verklaarde zijn foto daartussen te herkennen. Het Hof vroeg de verdachte naar het geopend houden van zijn lippen waardoor zijn gouden tanden zichtbaar zijn, waarop de verdachte antwoordde "dat is mijn stijl". Dit deel van de verklaring is in het vonnis opgenomen maar abusievelijk niet in het proces-verbaal van de terechtzitting, dat pas later - na het instellen van cassatie - werd uitgetypt en door mij ondertekend.

De griffier, een stagiaire, was inmiddels niet meer werkzaam bij het Hof. De twee andere leden van de kamer, welke ik vandaag raadpleegde, hebben dezelfde herinnering aan deze gang van zaken en gesproken woorden."

2.3. Op grond van de inhoud van deze brief moet het ervoor worden gehouden dat als gevolg van een kennelijke misslag is verzuimd het in het middel bedoelde deel van de verklaring van de verdachte op te nemen in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 december 2007.

De Hoge Raad leest het proces-verbaal met verbetering van die misslag. Daardoor mist het middel feitelijke grondslag, zodat het faalt.

3. Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis.

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van elf jaren en elf maanden.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze elf jaren en vijf maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, J. de Hullu, W.F. Groos en M.A. Loth, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 15 december 2009.