Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BJ6753

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-12-2009
Datum publicatie
15-12-2009
Zaaknummer
07/11362
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BJ6753
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 359.2 Sv. U.o.s. Hetgeen door de raadsvrouwe ttz. in h.b. is aangevoerd m.b.t. de verklaring van de aangeefster kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het Hof naar voren is gebracht. Het Hof is in zijn arrest van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt afgeweken door de bedoelde verklaring voor het bewijs te bezigen, maar heeft in strijd met art. 359.2 Sv niet in het bijzonder de redenen opgegeven die daartoe hebben geleid. Dat verzuim heeft ingevolge art. 359.8 Sv nietigheid tot gevolg. Conclusie AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 92
NJB 2010, 115
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 december 2009

Strafkamer

nr. 07/11362

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 2 april 2007, nummer 22/007355-05, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de vrijspraak van feit 1 - is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. C.E.J.E. Kouijzer, advocaat te Middelburg, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

1.2. De raadsvrouwe heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid, Sv heeft nagelaten in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat de verklaring van [betrokkene 1] vanwege de onbetrouwbaarheid daarvan niet bruikbaar is voor het bewijs.

2.2.1. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 1 oktober 2004 tot 6 april 2005 te [plaats], terwijl hij, verdachte, toen werkzaam was in de maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [betrokkene 1], die zich als cliënt aan verdachte's zorg had toevertrouwd, bestaande uit het opzettelijk ontuchtig betasten van de borsten."

2.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg, voor zover inhoudende:

"In oktober 2004 is [betrokkene 1] bij [A] komen wonen. Ik werkte destijds bij [A]. (...)"

b. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"Op 27 april 2005 verscheen aan het bureau van politie te Vlissingen: [betrokkene 1], wonende te [woonplaats]. Zij was in gezelschap van [betrokkene 2], als psychologe/orthopedagoge werkzaam bij de Stichting [A]. [Betrokkene 2] deelde mij mede dat zij [betrokkene 1] begeleidt en dat [betrokkene 1] haar onlangs had verteld dat een inmiddels ontslagen werknemer van de Stichting [A] haar had lastig gevallen. [Betrokkene 1] vertelde mij vervolgens dat [verdachte] groot en sterk is en dat zij van hem moest zwijgen.

[Verdachte] was van de leiding van het huis waar [betrokkene 1] woont. [Verdachte] is nu ontslagen. [Betrokkene 1] vertelde dat zij zich nu veiliger voelt in het huis. Zij durfde eerst niet te vertellen dat [verdachte] aan haar lichaam zat.

[Verdachte] is op haar kamer gekomen en hij voelde aan haar borsten. [Betrokkene 2] deelde mij mede dat [betrokkene 1] vanaf oktober vorig jaar steeds heeft gezegd dat zij zich onveilig voelde in het huis. Nadat [betrokkene 1] hoorde dat [verdachte] ontslagen was bij [A] heeft zij tegen [betrokkene 2] verteld dat het [verdachte] was die haar lastig viel en waardoor zij zich niet veilig voelde."

c. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 3]:

"Ik ben in mijn functie van coach binnen de stichting [A] bevoegd tot het doen van aangifte van feiten ten opzichte van een cliënt die in één van de huizen van [A] is geplaatst. [Verdachte] was destijds werkzaam als zorgmedewerker binnen de stichting [A]. In zijn functie had hij de zorg over de cliënt genaamd [betrokkene 1]. [Betrokkene 1] is woonachtig te [woonplaats] in een woning van [A]. In de periode tussen 1 oktober 2004 en 6 april 2005 was [verdachte] één van de twee zorgverleners. Via [betrokkene 2] ben ik op de hoogte gebracht van de handelingen die bij [betrokkene 1] zijn gepleegd. Deze bestonden uit het betasten van het lichaam van [betrokkene 1]. In een intakegesprek heeft [betrokkene 1] te kennen gegeven dat zij aangifte wil doen tegen [verdachte] omdat hij haar onzedelijk betast heeft. Zij is bereid haar verhaal te doen. De stichting [A] geeft hierbij toestemming om haar te horen."

d. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]:

"Ze is in [woonplaats] gaan wonen. Nadat ze de afwas had gedaan was ze naar haar kamer gegaan. Toen kwam [verdachte] naar haar kamer toe. Toen begon hij haar borsten aan te raken en was hij handtastelijk. Hij kwam met zijn handen aan haar borsten. Hij deed van alles aan haar borsten. Het strelen van haar borsten was onder haar kleren. Het was onder haar beha. Op de vraag wanneer het gebeurd was waarover ze nu verteld heeft antwoordt ze dat het in 2004 of in 2005 gebeurd is."

e. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 2]:

"Ik ben werkzaam als psychologe bij de stichting [A]. Ik heb [betrokkene 1] gevraagd of zij mij het verhaal nog een keer wilde vertellen. Zij heeft mij verteld dat [verdachte] aan haar borsten zat. Ik vind het verhaal van [betrokkene 1] betrouwbaar. Ik ben vanaf het begin bij het proces betrokken. Ik heb haar steeds hetzelfde verhaal horen vertellen. Zij is heel consistent in haar verhaal. [Betrokkene 1] is pas met haar verhaal naar buiten gekomen nadat zij wist dat [verdachte] was ontslagen."

f. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 4]:

"Ik werk bij de stichting [A] in [woonplaats]. Ik begeleid cliënten. Één van de cliënten is [betrokkene 1]. Op 13 april 2005 is [betrokkene 1] bij mij gekomen. Zij vertelde mij dat zij bang was. Zij vertelde dat het om [verdachte] ging. Hij heet met zijn achternaam [achternaam verdachte]. Hij vroeg [betrokkene 1] of hij aan haar mocht zitten."

2.3. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouwe van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnotitie die onder meer het volgende inhoudt:

"Verklaringen aangeefster

[Betrokkene 1] verklaart dat zij door [verdachte] onder haar kleren aan haar borsten en billen is betast. Dit verklaart zij tegen [betrokkene 2]. Tijdens het verhoor in de verhoorstudio verklaart zij dat zij aan haar borsten en haar vagina is betast maar over de betastingen aan haar vagina is zij zeer onzeker. Ze verklaart hierover dat [verdachte] haar broek had losgemaakt en onder haar onderbroek in haar vagina ging. [Betrokkene 1] weet niet meer hoe het voelde en zegt: "Maar ik weet wel van mijn borsten dat hij wel gestreeld had, maar volgens mij, denk ik ook hetzelfde met mijn vagina... Ik denk dat nee, ik weet zeker dat hij eh, mijn borsten gestreeld heeft maar het kan ook zijn dat hij ook mijn eh vagina ook gestreeld heeft". ..."dat weet ik niet goed meer". Onduidelijk blijft dus in deze verklaring of volgens [betrokkene 1] haar vagina zou zijn betast. Kennelijk weet ze dat niet goed meer.

Dr. Bullens noemt het opmerkelijk dat [betrokkene 1] omtrent de perifere zaken uitgebreid verklaart terwijl zij over het vermeende seksueel misbruik slechts weinig gedetailleerd verklaart. Of er volgens haar aan of in haar vagina is gezeten blijft zelfs onduidelijk of dit is voorgevallen.

De heer dr. Bullens omschrijft ook de verklaring van [betrokkene 1] als scriptmatig. Dit is opvallend omdat, wel duidelijk en uitgebreid over bijzaken wordt verklaard. Verder is dit opmerkelijk omdat ten aanzien van de verklaring van [betrokkene 1] niet gesteld kan worden dat het vermeende seksueel misbruik dermate vaak zou hebben plaatsgevonden dat hieruit een scriptmatige verklaring zou kunnen volgen.

Een verklaring voor het vage en scriptmatige van de verklaring van [betrokkene 1] zou kunnen zijn dat het vermeende seksueel misbruik feitelijk niet heeft plaatsgevonden. [Betrokkene 1] zou derhalve niet meer gedetailleerd kunnen verklaren en blijft in het afleggen van haar verklaring beperkt tot het geven van een beschrijving in algemene termen.

Dr. Bullens noemt verder dat het opmerkelijk is dat ook de verklaring van [betrokkene 1] weinig doorleefd overkomt. Dr. Bullens noemt dat er nauwelijks een affect verandering bij [betrokkene 1] plaatsvindt. Bovendien reageert [betrokkene 1] op een wat aparte, niet bij het verhaal passende manier. [Betrokkene 1] schiet op een bepaald moment, vlak na het vertellen van het seksueel misbruik in de lach.

Tegenstrijdigheden verklaring [betrokkene 1]

Verder zijn er nog enkele tegenstrijdigheden in de verklaring van [betrokkene 1]. Zo verklaart zij op een moment dat ze constant smoesjes moest verzinnen om te voorkomen dat ze met [verdachte] naar zijn huis zou gaan. Wanneer de interviewster later vraagt hoe vaak [verdachte] heeft voorgesteld om naar zijn huis te gaan, antwoordt [betrokkene 1]: "Dat was één keer denk ik, ja".

Ik noemde reeds de inconsistentie met betrekking tot de verklaring van [betrokkene 1] omtrent het al dan niet aanraken van haar vagina. Een andere inconsistentie betreft de regelmaat van het vermeende seksueel misbruik. Op een moment zegt [betrokkene 1] dat het seksueel misbruik elke dag gebeurde als [verdachte] dienst had, maar later zegt ze dat de betastingen op haar kamer drie of vier keer heeft plaatsgevonden.

Bekend is dat [betrokkene 1] borderline problematiek heeft. Verder heeft zij een hechtingsstoornis. De deskundigen zijn het er over eens dat mensen met een borderline problematiek fantasie en realiteit gemakkelijk in elkaar laten overvloeien. Dit kan tot gevolg hebben dat een verzonnen verhaal vervolgens door de persoon zelf volledig geloofd gaat worden (P52). [Betrokkene 2] verklaart hier evenwel over dat, hoewel [betrokkene 1] erg manipulatief is, ze zou zijn gestopt (in het geval van het afleggen van een onware verklaring) op het moment dat de politie erbij kwam. De vraag rijst hier echter op welke wijze [betrokkene 2] dit zo zeker weet. [betrokkene 2] noemt in ieder geval niet dat dit al een keer eerder is voorgevallen.

Motief valse verklaring

Zoals gemeld is vanuit de wetenschappelijke literatuur bekend dat personen met een Borderline persoonlijkheidsstoornis vaak ook melding maken van seksueel misbruik waarbij in een meer dan gemiddeld aantal gevallen is komen vast te staan dat deze beschuldigingen zijn verzonnen om daarmee aandacht te verwerven c.q. slachtofferidentiteit te kunnen aannemen. Deze slachtofferidentiteit dient dan ter compensatie van een gebrekkig ontwikkelde eigenheid/identiteit.

Hierin kan het motief van [betrokkene 1] liggen om een valse verklaring tegen hem af te leggen.

Samengevat kan gezegd worden dat ook de verklaring van [betrokkene 1] mager en scriptmatig imponeert.

De verklaring van [betrokkene 1] wordt niet gesteund door enig ander bewijs. De verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] (de verbalisant die de aangifte opnam) komen alle uit dezelfde bron als de verklaring van [betrokkene 1]. Dit zijn verklaringen van horen zeggen. Ook ten aanzien van feit 2 is er dus geen enkele dubbele bevestiging van de verdenkingen.

De verklaring van [betrokkene 1] omtrent de ontuchtige handelingen is bovendien ook erg ongeloofwaardig in het licht van de behandelingshistorie van [betrokkene 1]. Hierin komt immers naar voren dat [betrokkene 1] erg agressief zou kan zijn. [Verdachte] verklaart hierover dat er meerdere mensen nodig waren om [betrokkene 1], als zij een agressieve uitbarsting had, in de isoleercel te krijgen. In dit licht is erg onwaarschijnlijk dat [verdachte] in staat zou zijn geweest om [betrokkene 1] ontuchtig te betasten.

(...)

Conclusie

Vanwege onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dient cliënt te worden vrijgesproken."

2.4. Hetgeen door de raadsvrouwe ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd met betrekking tot de verklaring van de aangeefster [betrokkene 1] kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het Hof naar voren is gebracht. Het Hof is in zijn arrest van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt afgeweken door de bedoelde verklaring voor het bewijs te bezigen, maar heeft in strijd met art. 359, tweede lid, Sv niet in het bijzonder de redenen opgegeven die daartoe hebben geleid. Dat verzuim heeft ingevolge art. 359, achtste lid, Sv nietigheid tot gevolg.

2.5. Het middel is terecht voorgesteld.

3. Beoordeling van het tweede en het derde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak - voor zover aan zijn oordeel onderworpen - ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak - voor zover aan zijn oordeel onderworpen - maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, B.C. de Savornin Lohman, H.A.G. Splinter-van Kan en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 15 december 2009.