Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BJ6398

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-09-2009
Datum publicatie
01-09-2009
Zaaknummer
07/10590 Hs
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening geurproef.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 969
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

1 september 2009

Strafkamer

nr. 07/10590 Hs

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 5 augustus 2003, parketnummer 21/000280-03, ingediend door mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden, namens:

[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978, wonende te [woonplaats].

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het Hof heeft - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Zwolle van 20 januari 2003 - de aanvrager ter zake van "poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak", veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden en tot betaling van een bedrag aan de benadeelde partij zoals in het arrest omschreven.

2. De aanvrage tot herziening

2.1. De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.2. De aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. De aanvrager voert daartoe aan dat zijn zaak destijds niet zou hebben geleid tot een veroordeling, indien de rechter bekend zou zijn geweest met de omstandigheid dat sprake is van gerede twijfel aan de betrouwbaarheid en de wijze van uitvoering van de geuridentificatieproef.

3. Achtergrond van de aanvrage

Aan de aanvrage is gehecht een brief van juni 2007 van het Arrondissementsparket Zwolle-Lelystad gericht aan de aanvrager. In deze brief is de aanvrager een mededeling gedaan omtrent mogelijk onjuist uitgevoerde geuridentificatieproeven in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland. In deze periode zou de speurhondengeleider tijdens het afnemen van de geuridentificatieproef regelmatig, in afwijking van het vastgestelde protocol, vooraf op de hoogte zijn geweest van de sorteervolgorde van de geurbuisjes. Volgens het openbaar ministerie zou ook in de zaak van de aanvrager gebruik zijn gemaakt van een dergelijke geuridentificatieproef. De onderhavige aanvrage is naar aanleiding van deze mededeling ingediend.

4. Aan de beoordeling van de aanvrage voorafgaande beschouwing

4.1. De Hoge Raad heeft eerder geoordeeld dat in de gevallen waarin in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 een geuridentificatieproef door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland in de desbetreffende strafzaak is uitgevoerd, dit onderzoek - behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel - moet worden geacht te hebben plaatsgevonden in strijd met het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent, hetgeen met zich brengt dat ervan moet worden uitgegaan dat het resultaat van die geuridentificatieproef in die gevallen niet als voldoende betrouwbaar kan gelden en dat aldus moet worden aangenomen dat het resultaat van de geuridentificatieproef niet zou zijn gebruikt voor het bewijs indien de rechter met de opgetreden onregelmatigheid bekend was geweest (vgl. HR 22 april 2008, LJN BC 8789, NJ 2008, 591).

4.2. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat onder een "minder zware strafbepaling" in de zin van art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv moet worden verstaan een strafbepaling die een minder zware straf bedreigt. Daaronder wordt niet verstaan de oplegging door de rechter van een andere (minder zware) sanctie.

4.3. Ingeval het resultaat van een onregelmatige geuridentificatieproef voor het bewijs van het desbetreffende tenlastegelegde feit is gebezigd en het niet aannemelijk is dat zonder deze uitkomst van de geuridentificatieproef de feitenrechter op grond van het beschikbare bewijsmateriaal tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen, levert dat een ernstig vermoeden op dat de rechter de aanvrager terzake zou hebben vrijgesproken. In dat geval is derhalve sprake van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv.

5. Beoordeling van de aanvrage

5.1. Ten laste van de aanvrager is bij het arrest waarvan herziening wordt verzocht bewezenverklaard dat:

"hij op 22 maart 2002 te Steenwijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijk toe-eigening uit een bouwmarkt aan de [a-straat] weg te nemen geld en/of goederen, geheel of ten dele toebehorende aan de [A] en zich daarbij de toegang tot die bouwmarkt te verschaffen door middel van braak, met een of meer van zijn mededaders een glasplaat van een toegangsdeur heeft ingeslagen en/of ingegooid en een gat gemaakt in het dak van die bouwmarkt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."

5.2. Het Hof heeft overeenkomstig art. 365a, eerste lid, Sv volstaan met het opmaken van een verkort arrest. Een aanvulling als bedoeld in het tweede lid van art. 365a Sv op dat arrest ontbreekt dus. Bij de aan de Hoge Raad ter beschikking staande stukken bevindt zich een proces-verbaal van de terechtzitting van de Politierechter van 22 december 2005, waarin op de voet van art. 378, tweede lid, Sv het mondeling vonnis is aangetekend. Aangezien het Hof hetzelfde heeft bewezenverklaard als de Politierechter, kan uit de inhoud van de door de Politierechter gebezigde bewijsmiddelen, zoals opgenomen in voormeld proces-verbaal, worden afgeleid aan welke bewijsmiddelen het Hof de bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit heeft kunnen ontlenen. Het betreft blijkens het vonnis van de Politierechter de volgende bewijsmiddelen:

a. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg, voor zover inhoudende:

"Ik ben op 22 maart 2002 op het industrieterrein in [plaats] geweest. De rode Volkswagen Jetta met kenteken [AA-00-BB] is mijn auto."

b. een proces-verbaal van politie, voorzover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]:

"Ik doe aangifte van poging tot inbraak. Ik ben werkzaam als bedrijfsleider bij [A] gevestigd aan de [a-straat 1] te [plaats]. Men heeft gepoogd goed weg te nemen dat aan [A] in eigendom toebehoort. Vannacht werd ik door de alarmcentrale gebeld en werd mij gevraagd naar [A] te gaan omdat er gepoogd was in te breken. Bij het betreden van het pand zag ik dat de ruit van de toegangsdeur beschadigd was. Het was gelaagd glas en een van de glasplaten was geheel aan diggelen. Bij nader onderzoek zag ik dat er een poging was gedaan om via het dak de winkel binnen te komen. Na het oplichten van het systeemplafond was het zichtbaar dat er een gat was gemaakt in het platte dak. De plaats waar het gat in het dak gemaakt was bevond zich recht boven het kantoor waar een afgeplakte sensor door ons was ontdekt. Het is ook de ruimte waar de kluis staat."

c. een proces-verbaal van politie opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1 en 2], voorzover inhoudende als relaas van de verbalisanten, dan wel een van hen:

"Op donderdag 21 maart 2002 hadden wij, politieteam Steenwijk, info gekregen dat er mogelijk een inbraak was gepland bij perceel [a-straat 1] te [plaats]. In genoemd pand is de winkel [A] gevestigd. Dit pand is gevestigd op een industrieterrein. Als reactie op deze info hebben wij, verbalisanten [verbalisant 1 en 2] op korte afstand van het betreffende pand, in een onopvallend voertuig, niet in uniform gekleed, post ingenomen. Dit was op donderdagavond 21 maart 2002 omstreeks 22:15 uur. Na enige tijd wachten zagen wij, op vrijdag 22 maart 2002 omstreeks 00:17 uur, een personenauto voorbij het pand rijden. Wij zagen dat dit een Volkswagen Jetta betrof, kleur rood. Wij zagen dat deze personenauto een parkeerplaats opreed van een kort bij het hierboven omschreven pand. Wij zagen dat er twee personen, mannen gekleed in donkere kleding en met donker haar, vanaf het parkeerterrein af kwamen lopen waar de auto had gestaan naar het pand van [A]. Wij zagen vervolgens dat beide personen doorliepen naar de zijkant van het pand waarna wij hun uit het oog verloren, Ik, verbalisant [verbalisant 2], had zicht op de linkerzijde en voorzijde van het pand. Tevens kon ik zien wat zich er op het dak van het pand afspeelde. Ik zag dat er een drietal personen het dak op klommen via de linkerzijde van het pand. Ik kon duidelijk geluiden horen van hun. Ik hoorde zeer duidelijk verbreek geluiden, hak geluiden, zaag geluiden en geluiden die klonken als gereedschap dat tegen elkaar aan kwam. Na enige tijd, geschat ongeveer een half uur, kwamen de uit omliggende korpsen gewaarschuwde collega's, nadat ze zich verzameld hadden buiten het terrein, gecoördineerd het terrein oprijden. Ik zag dat de drie personen op het dak opsprongen en richting achterzijde van het pand renden. Ik zag dat er in ieder geval twee personen aan de achterzijde van het dak eraf sprongen en in het duister verdwenen."

d. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"Naar aanleiding van het door mij, verbalisant [verbalisant 1] en collega [verbalisant 2] opgemaakte proces-verbaal van bevindingen op vrijdag 22 maart 2002 inzake de poging tot inbraak bij [A] het volgende: In dat proces-verbaal spreken mijn collega en ik over een rode Volkswagen Jetta. Deze auto bleek later te zijn voorzien van het kenteken [AA-00-BB]. Deze personenauto werd namelijk aangetroffen tegenover [A]."

e. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 3], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"Op vrijdag 22 maart 2002, omstreeks 11:30 uur, was ik bezig met recherchewerkzaamheden in verband met een poging tot inbraak bij [A] te [plaats], gepleegd op 22 maart 2002. Op genoemd tijdstip werd ik gebeld door een vrouw, die mij door de telefoon opgaf te zijn:

[Betrokkene 2], geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], telefoonnummer 06-[001]. Zij vroeg aan mij of haar man [betrokkene 3] bij ons op het politiebureau was, Op de vraag van mij, verbalisant, waarom zij dacht dat [betrokkene 3] bij ons op het bureau te Steenwijk was, verklaarde zij dat hij gisteravond vanuit haar woning met een vriend naar Zwolle was vertrokken. Zij vertelde dat hij gisteravond om ongeveer om ongeveer 23:00 uur was opgehaald door een vriend uit Leeuwarden met een rode auto. [betrokkene 3] noemde deze vriend "[aanvrager]" (opmerking verbalisant: dat is fonetisch weergegeven)."

f. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 4], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"Op zaterdag 23 maart 2002, omstreeks 12:00 uur, kreeg ik het verzoek van de wachtcommandant van politie te Steenwijk om te gaan naar het adres [b-straat 1], om een in het water aangetroffen jas op te halen. Dit adres betreft een vakantieschip. Ter plaatse werd ik aangesproken door de schipper genaamd [betrokkene 4]. [Betrokkene 4] overhandigde mij een half lange bruinkleurige jas van het merk RAP. Bij controle van genoemde jas vond ik in een der jaszakken een zilvergrijze "handheld" portofoon aan van het merk Alan."

g. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 5]:

"Ik ben als taxichauffeuse werkzaam bij [B] te [plaats]. Vanmorgen 22 maart 2002 omstreeks 11.25 uur heb ik na opdracht van mijn bazin een persoon per taxi vervoerd naar Leeuwarden. Ik heb die persoon opgepikt bij garage [...] op het industrieterrein Groot Verlaat. Toen ik kwam aanrijden stond de persoon daar bij [...] in de showroom en liep vervolgens naar de taxi toe. Ik zag dat het een manspersoon was met een Turks/Marokkaans uiterlijk. Het was een jongen waarvan ik de leeftijd schat tussen de 20 en 30 jaar. Hij stapte in de taxi en zei dat hij naar Heerenveen moest naar zijn zus. Onderweg wilde hij bellen maar zijn telefoon deed het niet. Onderweg, bij aanvang van de rit, vertelde hij mij waarom hij in een doek gewikkeld was. Hij zei dat hij in het water was gevallen en dat zijn jas ook in het water was gevallen. Zijn jas met autosleutels en andere spullen was gezonken. Ik zei dat hij dan zeker wel een zware jas had. Daarop zei hij dat het een zware leren jas was. Ik vroeg hem ook nog hoe hij gekomen was. Hij zei met de auto en nogmaals dat zijn sleutels in de jas zaten.

(Verb: hierop toonde ik getuige een rijbewijs ten name van: [aanvrager] geboren op [geboortedatum]-1978, wonende te [c-straat] te [plaats].)

Hierna verklaarde getuige:

De man op het rijbewijs herken ik als de man die ik naar Leeuwarden heb vervoerd en waarover ik in mijn verklaring spreek. Ik ben er zeker van dat het dezelfde man is."

h. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 5], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"Op 22 maart 2002 te 09.00 uur heb ik, brigadier [verbalisant 5], te Steenwijk bij [A] aan de [a-straat 1] op het dak van [A], zijnde de plaats delict de volgende voorwerpen in beslag genomen:

- breekijzer, kleur rood

- breekijzer, kleur blauw."

i. een proces-verbaal, opgemaakt door [verbalisant 6], speurhondengeleider, werkzaam bij de technische recherche van de regiopolitie Twente en [verbalisant 7], speurhondengeleider, werkzaam bij de technische recherche van de regiopolitie IJsselland, voor zover inhoudende als verklaring van de verbalisanten, dan wel een van hen.

"Betreft: uitvoeren geuridentificatieproef

Verdachte: [aanvrager]

Feit: Inbraak bedrijf

Pleegplaats: [a-straat 1] te [plaats]

Corpus Delicti: Geurmonsters rood breekijzer en blauw breekijzer, veiliggesteld op 22 maart 2002 door [verbalisant 8], technisch rechercheur.

Op 5 april 2002, omstreeks 11.05 uur werd door mij, [verbalisant 6], speurhondengeleider, tevens brigadier van politie werkzaam bij de technische recherche van de regiopolitie Twente, een geuridentificatie uitgevoerd met de speurhond REX.

Conclusie: Gezien het gedrag en de werkwijze van Rex bleek mij, [verbalisant 6], dat Rex geurovereenkomst waarnam tussen tenminste een van het corpus delicti (geurmonsters rood breekijzer en blauw breekijzer), en de geurdragers welke waren vastgehouden door de verdachte [aanvrager]."

5.3. In de aanvrage wordt aangevoerd dat zonder het resultaat van de hiervoor in 5.2 onder i vermelde geuridentificatieproef, inhoudend dat de desbetreffende speurhond een geurovereenkomst waarnam tussen de aanvrager en ten minste een van de achtergelaten breekijzers, de aanvrager niet zou zijn veroordeeld voor de diefstal.

5.4. Ook zonder het resultaat van de geuridentificatieproef kan echter redelijkerwijs uit het beschikbare bewijsmateriaal worden afgeleid dat de aanvrager op de in de uitspraak omschreven wijze betrokken is geweest bij het tenlastegelegde feit. Dit betekent dat het hiervoor onder 4.3 bedoelde geval zich hier niet voordoet, zodat geen sprake is van een ernstig vermoeden dat het Hof de aanvrager van dat feit zou hebben vrijgesproken. De aanvrage is dus kennelijk ongegrond en moet worden afgewezen.

6. Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 1 september 2009.