Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BJ3677

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-10-2009
Datum publicatie
14-10-2009
Zaaknummer
08/01723
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BJ3677
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Bewijsklacht. Uit de bewijsmiddelen zou niet blijken dat verdachte houder van auto is.

2. Strafuitsluitingsgrond ex. art. 181, 2 (oud) WVW 1994.

Ad 1. HR: Klaarblijkelijk heeft het Hof, in het bijzonder o.g.v. het geschrift dat het Hof als bewijsmiddel geeft gebezigd waaruit blijkt dat verdachte heeft getekend als berijder van de desbetreffende auto, geoordeeld dat verdachte moet worden aangemerkt als degene die de auto, waarmee de geconstateerde snelheidsovertreding is begaan, tot duurzaam gebruik onder zich heeft en dus heeft te gelden als houder i.d.z.v. de WVW 1994. Oordeel Hof geeft geen blijk van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

Ad. 2. HR: Verwijzing naar NJ 2000, 24. Het Hof heeft geoordeeld dat het door verdachte ttz. in hb overlegde geschrift waarin zijn broer verklaart dat hij ten tijde van de overtreding de auto heeft bestuurd, verdachte niet kan baten omdat verdachte tot op de dag voor de ttz. in EA schriftelijk aan het OM de naam en het volledige adres van de bestuurder bekend kon maken dan wel uiterlijk op terechtzitting in EA dadelijk na de ondervraging, bedoeld in art. 273. 1 Sv, en dat niet heeft gedaan.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 181
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2009/117 met annotatie van Regterschot
RvdW 2009, 1369
NJ 2009, 584
VR 2010, 66
NJB 2009, 1954

Uitspraak

13 oktober 2009

Strafkamer

Nr. 08/01723

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 26 oktober 2007, nummer 21/003116-07, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.H.D. van Onna, advocaat te Arnhem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het eerste en het vierde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd, omdat daaruit niet kan worden afgeleid dat de verdachte houder was van de personenauto waarmee de geconstateerde snelheidsovertreding is begaan.

3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"een bij de ontdekking van het hierna omschreven strafbaar feit onbekend gebleven bestuurder van een motorvoertuig (personenauto), gekentekend [AA-00-BB], op 5 november 2006 te Arnhem, heeft gereden met een snelheid van ongeveer 90 kilometer per uur, terwijl verdachte toen houder, als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, van dat motorvoertuig was."

3.3. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:

"De lease-overeenkomst van de Audi met het kenteken [AA-00-BB] stond op 5 november 2006 op naam van [A] BV. Ik heb betaald aan de leasemaatschappij."

b. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"Ik zag/constateerde dat een persoon als bestuurder van een motorvoertuig binnen de bebouwde kom, heeft gereden met een hogere snelheid dan de toegestane maximumsnelheid, met een overschrijding van 40 km per uur tot 45 km per uur.

Overtredingsgegevens:

Datum: 5 november 2006

Omstreeks: 15.34 uur

Plaats: Arnhem

Gemeente: Arnhem

Locatie: Batavierenweg - Nijmeegseweg oost, een voor het openbaar verkeer openstaande weg binnen een als zodanig aangeduide bebouwde kom

Voertuig:Personenauto

Merk/type: Audi

Kenteken: [AA-00-BB]

Deze overtreding werd fotografisch vastgelegd.

De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. een voor de meting geteste, geijkte en op de voorgeschreven wijze gebruikte radarsnelheidsmeter.

Gemeten (afgelezen) snelheid: 93 km per uur

Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 90 km per uur

Toegestane snelheid: 50 km per uur

Overschrijding met: 40 km per uur

Merk/soort radar:Gatso lusdetector

De werkelijke snelheid is het resultaat van een, overeenkomstig de aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers van het college van procureurs-generaal, reg.nr. 2002A014, uitgevoerde correctie op de afgelezen snelheid van het meetmiddel.

De bestuurder werd ter plaatse niet staande gehouden. Er werd volstaan met het bekeuren op kenteken. Uitzonderingsbepalingen waren niet van toepassing.

Volgens de opgave van de rijksdienst voor het wegverkeer dan wel uit een ingesteld nader onderzoek bleek het motorvoertuig toe te behoren aan:

Eigenaar

Naam : [B] B.V.

Straatnaam: [a-straat 1]

Postcode/woonplaats : [0000 AA] [plaats A]

Datum rdw-bevraging: 16-11-2006."

c. een geschrift, voor zover inhoudende:

"Opdrachtbevestiging Datum afdruk 18/05/06

Lessor: [B] Lessee: [A] B.V.

Autogegevens

Merk/type: Audi

Voor akkoord lessor Voor akkoord Lessee

[verdachte]

(onleesbare handtekening) (onleesbare handtekening)

[plaats A], 18-5-2006 [woonplaats] 22-5-2006."

d. een geschrift, dat als bijlage is gevoegd bij het hiervoor onder c genoemde geschrift, voor zover inhoudende:

"Gegevens auto:

Merk: Audi Kenteken: [AA-00-BB]

Datum ingebruikname: 31/05/06

Voor akkoord berijder:

(handgeschreven) [verdachte]."

3.4. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:

- art. 181, eerste lid, Wegenverkeerswet 1994 (oud) (WVW 1994):

"Indien een bij of krachtens deze wet als overtreding strafbaar gesteld feit wordt begaan door een bij de ontdekking van het feit onbekend gebleven bestuurder van een motorrijtuig, kunnen de op het feit gestelde straffen worden uitgesproken tegen de eigenaar of houder van dat motorrijtuig voor zover deze niet reeds naast de bestuurder voor dat feit aansprakelijk is."

- art. 1, eerste lid aanhef en onder o, WVW 1994:

"In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: (...)

o. houder van een motorrijtuig of een aanhangwagen: degene die het voertuig:

1°. op grond van een overeenkomst van huurkoop onder zich heeft,

2°. in vruchtgebruik heeft, of

3°. anderszins, anders dan als eigenaar of bezitter, tot duurzaam gebruik onder zich heeft."

3.5. Klaarblijkelijk heeft het Hof, in het bijzonder op grond van het geschrift dat het Hof als bewijsmiddel d heeft gebezigd voor zover inhoudende dat de verdachte heeft getekend als berijder van de desbetreffende auto, geoordeeld dat de verdachte moet worden aangemerkt als degene die de auto waarmee de geconstateerde snelheidsovertreding is begaan, tot duurzaam gebruik onder zich heeft en dus heeft te gelden als houder in de zin van de WVW 1994. Dat oordeel van het Hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

3.6. Het middel faalt.

4. Beoordeling van het derde middel

4.1. Het middel klaagt over de verwerping door het Hof van het beroep op de strafuitsluitingsgrond van art. 181, tweede lid, (oud) WVW 1994.

4.2. Het bestreden arrest houdt dienaangaande het volgende in:

"Verdachte is strafbaar, zijnde geen omstandigheid gebleken die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Het hof is voorts van oordeel dat het door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde geschrift waarin zijn broer verklaart dat hij ten tijde van de overtreding de auto heeft bestuurd, verdachte niet kan baten omdat verdachte tot op de dag voor de terechtzitting in eerste aanleg schriftelijk aan het Openbaar Ministerie de naam en het volledige adres van de bestuurder bekend kon maken dan wel uiterlijk op de terechtzitting in eerste aanleg dadelijk na de ondervraging, bedoeld in artikel 273, lid 1 van het Wetboek van Strafvordering, en dat niet heeft gedaan."

4.3. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 12 oktober 1999, NJ 2000, 24 heeft het Hof met juistheid geoordeeld dat de verdachte zich niet met vrucht kon beroepen op voormelde strafuitsluitingsgrond. Voor de in de toelichting op het middel bepleite "geactualiseerde uitleg" van art. 181 WVW 1994 bestaat geen grond.

4.4. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 13 oktober 2009.