Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BJ3675

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-10-2009
Datum publicatie
14-10-2009
Zaaknummer
08/01540
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BJ3675
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bewijsklacht. Uit de bewijsmiddelen in samenhang met ’s Hofs bewijsoverweging kan niet zonder meer worden afgeleid dat verdachte, zoals is bewezenverklaard, t.t.v. het voorhanden krijgen van de kentekenplaten wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof. De bewezenverklaring is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 1242

Uitspraak

13 oktober 2009

Strafkamer

Nr. 08/01540

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 18 september 2007, nummer 23/000634-07, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft het onder 2 bewezenverklaarde en de strafoplegging en tot verwijzing of terugwijzing van de zaak teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel klaagt dat het onder 2 bewezenverklaarde, met name de wetenschap van de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de kentekenplaten, dat deze door misdrijf waren verkregen, niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

3.2.1. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat hij:

"in de periode van 6 januari 2004 tot en met 13 januari 2004 in Nederland 2 kentekenplaten (kenteken [AA-00-BB]) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze kentekenplaten wist dat het een door een misdrijf verkregen goed betrof."

3.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

"Op 13 januari 2004 werd op de Rijksweg A4 in de gemeente Haarlemmermeer tijdens een verkeerscontrole een personenauto voorzien van het kenteken [CC-00-DD] gecontroleerd. Bij navraag in de geautomatiseerde systemen bleek dat de bestuurder, [verdachte], gesignaleerd stond voor de regiopolitie Amsterdam-Amstelland. Hierop werd [verdachte] aangehouden. Bij een onderzoek in genoemd voertuig werden in de kofferbak twee kentekenplaten met de karakters [AA-00-BB] aangetroffen en in het dashboardkastje werd een vuurwapen, merk M & N, Type Yavuz Magnum aangetroffen. In het linkervoorportier werd tevens een busje CS-gas aangetroffen."

b. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Het vuurwapen dat in het dashboardkastje lag heb ik begin december gekocht in een coffeeshop in Amsterdam. Het busje CS-gas dat is gevonden in het linker voorportier van mijn auto had ik voor 10 euro gekocht in Amsterdam. U toont mij een set kentekenplaten. Ik weet niet hoe deze platen in mijn auto komen."

c. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]:

"Op 6 januari 2004 te 01.30 uur heb ik de auto voorzien van het kenteken [AA-00-BB] geparkeerd aan de openbare weg te Amsterdam. Op 6 januari 2004 te 09.45 uur zag ik dat de beide kentekenplaten waren weggenomen."

d. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

"Op 19 januari 2004 stelden wij een onderzoek in naar aanleiding van de aanhouding van de verdachte [verdachte]. Na zijn aanhouding werden in de kofferbak van zijn personenauto twee kentekenplaten aangetroffen die waren voorzien van de karakters: [AA-00-BB]."

e. de door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

"Het vuurwapen en het busje traangas lagen gewoon in mijn auto. Deze auto is mijn eigendom en is overwegend bij mij in gebruik. In het kader van dat gebruik berg ik regelmatig voorwerpen in de kofferbak."

3.2.3. Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 2 voorts het volgende overwogen:

"Het hof hecht geen geloof aan de door verdachte betrokken stelling dat hij niet wist dat op 13 januari 2004 de in de bewezenverklaring bedoelde kentekenplaten in zijn auto waren geborgen. Naar het oordeel van het hof heeft als ervaringsregel te gelden dat de eigenaar/gebruiker van een auto waarin in de kofferbak voorwerpen zijn geborgen bekend pleegt te zijn met de aanwezigheid van die voorwerpen, in casu kentekenplaten. In casu zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan moet worden aangenomen dat zich een uitzondering voordoet op die regel. De enkele stelling van de verdachte dat hij "wel eens uitleent" waardeert het hof in elk geval als onvoldoende voor het aannemen van zo'n uitzondering.

Het voorgaande voert tot de slotsom dat de verdachte voor de aanwezigheid van de kentekenplaten in de door de verdachte gebruikte auto geen redelijke verklaring heeft gegeven en - naar het hof aanneemt - heeft willen geven. Het hof leidt uit hetgeen hiervoor is overwogen af dat de verdachte bekend is geweest, toen en daar, niet alleen met de aanwezigheid van de kentekenplaten in de auto, maar ook met de misdadige herkomst daarvan."

3.3. Uit de hiervoor onder 3.2.2 weergegeven bewijsmiddelen in samenhang met de onder 3.2.3 weergegeven bewijsoverweging kan niet zonder meer worden afgeleid dat, zoals is bewezenverklaard, de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de kentekenplaten wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof. De bewezenverklaring van feit 2 is dus niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

3.4. Het middel is terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 13 oktober 2009.