Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BJ3665

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-10-2009
Datum publicatie
14-10-2009
Zaaknummer
08/01222
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BJ3665
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bewijsklacht. Art. 435 Sr jo. art. 9a Advocatenwet. De opvatting dat i.c. voor de bewezenverklaring van het “zonder daartoe gerechtigd te zijn” de titel van advocaat voeren, uit de bewijsmiddelen zal moeten blijken dat verdachte niet in enig buitenland tot het voeren van een overeenkomstige titel bevoegd is, vindt geen steun in het recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 1235

Uitspraak

13 oktober 2009

Strafkamer

nr. 08/01222

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 25 oktober 2007, nummer 21/002547-06, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1938, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. D.J.L. Wijnveldt, advocaat te Arnhem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel komt op tegen de motivering van de bewezenverklaring.

2.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:

"2. op 29 oktober 2004 te Den Haag zonder daartoe gerechtigd te zijn de titel van advocaat heeft gevoerd door in het kader van de civiele procedure met zaaknummer 207995 en met rolnummer 03-2840 namens zijn cliënt [betrokkene 1] tegen de Staat der Nederlanden

- ter terechtzitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank Den Haag in toga te verschijnen en

- het woord ter terechtzitting te voeren, en

- een pleitnota aan de rechtbank over te leggen, waarop als advocaat van [betrokkene 1] als eiser verdachtes naam was vermeld,

zulks terwijl hij op 27 februari 2004 als advocaat van het tableau is geschrapt.

4. in de periode van 1 januari 2005 tot en met

8 februari 2006 in Nederland zonder daartoe gerechtigd te zijn de titel van advocaat heeft gevoerd door:

- zijn onderneming in de telefoongids van de KPN vermeld te houden als "Advocatenkantoor [A]" en

- zijn onderneming in de "Gouden Gids" onder de rubriek 'Advocaten en Advocatenkantoren' vermeld te houden onder "Advocatenkantoor [A]",

zulks terwijl hij op 27 februari 2004 als advocaat van het tableau is geschrapt."

2.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten:

"Volgens een schrijven van de rechtbank Arnhem aan de rechtbank Den Haag heeft de Raad van Discipline in het ressort Arnhem [verdachte], advocaat te [plaats], bij beslissing van 1 december 2003 de maatregel van schorsing in de uitoefening van de praktijk opgelegd voor de duur van zes maanden. De schorsing is ingegaan op 14 januari 2004 en zou duren tot en met 13 juli 2004. Vervolgens heeft de rechtbank Arnhem een brief d.d. 27 februari 2004 van [verdachte] ontvangen met de mededeling dat hij per 27 februari 2004 wenste te worden afgevoerd van het tableau. Aan dit verzoek is gevolg gegeven en sinds 27 februari 2004 staat hij niet meer op het tableau van advocaten te Arnhem."

b. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Eind 2003, begin 2004 ben ik geschorst door de Raad van Discipline in Arnhem. Ik ben toen voor de duur van zes maanden geschorst. U zegt dat de schorsing in is gegaan op 14 januari 2004. Die datum zou goed kunnen kloppen. Ik heb daarop begin 2004 een brief geschreven naar de rechtbank te Arnhem met het verzoek mij van het tableau te laten verwijderen."

c. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van H.F.M. Hofhuis, President van de Rechtbank te 's-Gravenhage:

"Hierbij doe ik ambtshalve aangifte tegen [verdachte], gewezen advocaat te [plaats], (destijds) kantoorhoudende aan het adres [a-straat 1] te [plaats], wegens vermoedelijke overtreding van artikel 9a van de Advocatenwet, strafbaar gesteld in artikel 435 aanhef en onder 3 van het Wetboek van Strafrecht. [Verdachte] is ingeschreven geweest als advocaat en procureur te [plaats], in het arrondissement Arnhem. Hij heeft zich met ingang van 27 februari 2004 laten schrappen van het tableau. Hij is daarna niet elders ingeschreven. Niettemin heeft hij zich op een zitting van 29 oktober 2004 van deze rechtbank gepresenteerd als advocaat; hij is in deze hoedanigheid opgetreden voor zijn cliënt [betrokkene 1] in een civiele procedure tegen de Staat der Nederlanden (zaaknummer 207995, rolnummer 03-2840). Op 29 oktober 2004 hebben de partijen in deze procedure de zaak doen bepleiten. [Verdachte] is in toga verschenen en heeft het woord gevoerd mede aan de hand van een aan de rechtbank overgelegde pleitnota waarop zijn naam als advocaat van de eiser [betrokkene 1] is vermeld. Het pleidooi heeft plaatsgevonden ten overstaan van de enkelvoudige kamer van deze rechtbank."

d. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Ik heb opgetreden voor [betrokkene 1] in een procedure tegen de Staat der Nederlanden. U zegt dat de president van de rechtbank in Den Haag stelt dat ik op 29 oktober 2004 mij gepresenteerd heb als advocaat van [betrokkene 1]. Dat is juist. Dat was tijdens een pleidooi en in ieder geval voor de rechtbank in Den Haag. Dat had ik niet moeten doen. Ik heb daarin inderdaad een pleitnota overgelegd met daarop de vermelding 'advocaat [naam verdachte]'. Ik heb daar ook opgetreden in toga. Met mijn verwijdering van het tableau had ik daar niet zo mogen optreden."

e. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende als relaas van verbalisant:

"Op 7 februari 2006 heb ik op verschillende internetsites bekeken hoe verdachte [verdachte] zich presenteert. Daarbij werden geraadpleegd de volgende sites:

- KPN Telefoongids

- De Gouden Gids

KPN Telefoongids:

Op 18 januari 2006 werd de KPN telefoongids op internet geraadpleegd. Op dat moment stond [verdachte] in de telefoongids vermeld als: Advocatenkantoor [A]. Op 7 februari 2006 werd wederom de KPN telefoongids op het internet geraadpleegd. Nu stond [verdachte] in de telefoongids vermeld als: Kantoor [A], [a-straat 1] [plaats], tel. [001].

Gouden Gids vermelding:

Bij het raadplegen van de Gouden Gids op dinsdag 7 februari 2006 bleek dat [verdachte] in deze gids staat vermeld als: [A] Advocatenkantoor, [a-straat 1], [plaats]. Op 7 februari 2006 nam ik telefonisch contact op met de afdeling klantenbetrekkingen van de Gouden Gids. Mij werd medegedeeld dat [verdachte] tot 2002 met een betaalde vermelding in de Gouden Gids had gestaan. Daar [verdachte] niet meer betaalde werd hij vanaf 2002 'niet betaald' vermeld in de Gouden Gids, zoals hij nu nog steeds staat vermeld. Als hij zelf geen contact opnam om deze vermelding te wijziging, bleef deze zo bestaan. Op 8 september 2005 was - volgens hun systemen - [verdachte] benaderd door een verkoper en kennelijk had hij niet aangegeven 'betaald' in de gids opgenomen te willen worden en kennelijk had hij ook niet aangegeven dat hij de vermelding gewijzigd wilde hebben. Als [verdachte] zelf contact zou hebben opgenomen tussentijds om wijzigingen door te geven zouden deze wel doorgevoerd zijn."

f. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"In de telefoongids sta ik nog steeds als advocatenkantoor vermeld. Ik kon dat in 2004 niet meteen geregeld krijgen omdat de gidsen al uit waren en ook omdat ik er niet bij stil heb gestaan. Dat geldt ook voor 2005. Ik heb nu in 2006 bericht gehad van de PTT met de vraag hoe ik vermeld wilde staan. Met ingang van de nieuwe gids zal daar in staan Kantoor [A]. Ik heb daar inmiddels een bevestiging van gehad."

g. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Met betrekking tot mijn vermelding in de Gouden Gids kan ik u het volgende vertellen. Ik heb me niet gerealiseerd dat ik nog in de Gouden Gids zou staan. Vroeger stond ik met een betaalde advertentie in de Gouden Gids. Ik ben daar mee gestopt. Ik ben wel een keer benaderd voor het plaatsen van een advertentie. Ik heb niet tegen die verkoper gezegd dat ik geen advocaat meer was. Ook na het afleggen van mijn verklaring bij u heb ik geen contact opgenomen met de Gouden Gids."

2.2.3. Het Hof heeft een in hoger beroep gevoerd verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting van 11 oktober 2007 gesteld dat de tenlastegelegde feiten slechts bewezen kunnen worden, indien komt vast te staan dat verdachte tot geen van beide in artikel 9a van de Advocatenwet genoemde groepen behoort. Dientengevolge zal, zo stelt de raadsman, uit de bewijsmiddelen moeten blijken dat verdachte niet in het buitenland tot het voeren van de titel van advocaat of een overeenkomstige titel bevoegd was. Nu het openbaar ministerie hiertoe geen onderzoek heeft verricht dient verdachte van beide tenlastegelegde feiten te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Het hof verwerpt voornoemd verweer en overweegt daartoe als volgt. Ingevolge artikel 9a van de Advocatenwet is tot het voeren van de titel van advocaat uitsluitend gerechtigd hij, die als advocaat binnen Nederland is ingeschreven, en hij, die buiten Nederland tot het voeren van een overeenkomstige titel bevoegd is. Onbetwist is dat verdachte met ingang van 27 februari 2004 van het tableau is geschrapt en dat hij dientengevolge vanaf die datum niet langer als advocaat binnen Nederland is ingeschreven. De bepaling aangaande de bevoegdheid tot het voeren van de titel van advocaat van diegene, die buiten Nederland tot het voeren van een overeenkomstige titel bevoegd is, ziet naar het oordeel van het hof op buitenlandse advocaten die zich hier in Nederland als advocaat presenteren. Wanneer deze personen buiten Nederland gerechtigd zijn de titel van advocaat te voeren, zijn zij dat tevens in Nederland. Verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep beroepen op zijn zwijgrecht met betrekking tot de vraag of hij buiten Nederland bevoegd is tot het voeren van de titel van advocaat. Dat zulks het geval is, is niet aannemelijk geworden."

2.3. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:

- art. 435 Sr:

"Met geldboete van de tweede categorie wordt gestraft:

(...)

3°. hij die zonder daartoe gerechtigd te zijn de titel van advocaat (...) voert."

- art. 9a Advocatenwet:

"Tot het voeren van de titel van advocaat is uitsluitend gerechtigd hij die als advocaat binnen Nederland is ingeschreven en hij die buiten Nederland tot het voeren van een overeenkomstige titel bevoegd is."

2.4. De onderhavige zaak wordt mede hierdoor gekenmerkt dat de verdachte, die voordien advocaat was te [plaats], na door de Raad van Discipline te zijn geschorst voor de duur van zes maanden, zich heeft laten schrappen van het tableau, zodat hij niet meer als advocaat in Nederland was ingeschreven, terwijl hij niet heeft aangevoerd buiten Nederland tot het voeren van een overeenkomstige titel bevoegd te zijn en de stukken van het dossier daarvoor ook geen aanwijzing bevatten.

2.5. Anders dan in het middel wordt betoogd, heeft het Hof de bewezenverklaring toereikend gemotiveerd. Opmerking verdient daarbij dat het middel, voor zover daaraan de opvatting ten grondslag ligt dat in een geval als het onderhavige voor de bewezenverklaring van het "zonder daartoe gerechtigd te zijn" de titel van advocaat voeren uit de bewijsmiddelen zal moeten blijken dat, hetgeen in deze niet uit de stukken volgt, de verdachte niet in enig buitenland tot het voeren van een overeenkomstige titel bevoegd is, een eis stelt die het recht niet kent.

2.6. Het middel faalt.

3. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 13 oktober 2009.