Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BJ3502

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-10-2009
Datum publicatie
13-10-2009
Zaaknummer
07/13383 A
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BJ3502
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Antilliaanse zaak. Strafmotivering. Het Hof heeft meegewogen “de omstandigheden dat de verdachte op verschillende momenten had kunnen afzien van zijn voornemen om op een dergelijke wijze zijn gram te halen” terwijl het Hof verdachte heeft vrijgesproken van handelen met voorbedachten rade. HR: De klacht berust op een onjuiste lezing van de overweging van het Hof omdat het Hof daarin tot uitdrukking heeft gebracht dat verdachte gedurende enige tijd het voornemen heeft gehad om zijn gram te halen over een kort daarvoor ontstane aanrijding met het slachtoffer zonder dat toen ook al een specifiek voornemen tot levensberoving bestond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 1230
NJ 2009, 530
NJB 2009, 1947

Uitspraak

13 oktober 2009

Strafkamer

nr. 07/13383 A

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 11 september 2007, nummer H-130/07, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in het Huis van Bewaring "Sint Maarten" te Sint Maarten.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis ten aanzien van de beslissingen gegeven met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde feit en ten aanzien van de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt over de strafmotivering.

2.2.1. Aan de verdachte is bij inleidende dagvaarding onder 1 tenlastegelegd dat:

"hij op of omstreeks 13 mei 2006, op het Nederlands Antilliaans gedeelte van het eiland St. Maarten, opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, meermalen (telkens), althans eenmaal, met een vuurwapen een of meerdere kogel(s) afgevuurd in/op het lichaam van [slachtoffer], althans in de richting van [slachtoffer], daarbij/daarmee treffend/verwondend [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden."

2.2.2. Het Hof heeft de verdachte van de tenlastegelegde voorbedachte raad vrijgesproken en bewezenverklaard dat:

"hij op 13 mei 2006 op het Nederlands Antilliaans gedeelte van het eiland St. Maarten opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk met een vuurwapen een kogel afgevuurd in de richting van [slachtoffer], daarmee treffend [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden."

2.3. De aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnota houdt onder meer het volgende in:

"Vaststaat dat [verdachte] revanche heeft willen nemen op [slachtoffer], die hij voorheen niet kende, aangezien [slachtoffer] [verdachte]'s auto had aangereden, waardoor zijn auto schade had opgelopen.(...)

Echter heeft [verdachte] op geen enkel moment met voorbedachte raad of na kalm beraad deze daad gepleegd. Hij heeft in een flits van kwaadheid gereageerd op het gebeurde, zonder er ook maar even bij stil te staan dat er ook andere oplossingen mogelijk waren om het probleem rond de schade aan zijn auto op te lossen."

2.4. Het bestreden vonnis houdt als strafmotivering onder meer het volgende in:

"De verdachte heeft bij een uit de hand gelopen ruzie na een aanrijding zijn slachtoffer, na een achtervolging, doodgeschoten. Daarmee heeft de verdachte het slachtoffer beroofd van het kostbaarste goed dat de mens bezit, te weten het leven. Hij heeft daardoor tevens onpeilbaar verdriet veroorzaakt bij de nabestaanden, die voor de schier onmogelijke taak staan het gebeurde een plaats te geven in hun leven. De verdachte versterkt met zijn handelen de gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Doodslag behoort tot de categorie delicten die de wetgever, samenloop daargelaten, met levenslange en de maximale tijdelijke gevangenisstaf (van vierentwintig jaar) heeft bedreigd.

Het voorgaande rechtvaardigt een langdurige gevangenisstraf. In het nadeel van de verdachte houdt het Hof rekening met de omstandigheid dat de verdachte op verschillende momenten had kunnen afzien van zijn voornemen om op een dergelijke wijze zijn gram te halen. Bijvoorbeeld op het moment dat het latere slachtoffer tegen een muur aan was gereden en zijn auto uitvluchtte. Voorts houdt het Hof rekening met het feit dat de verdachte eerder voor misdrijven is veroordeeld. In verband met de grote mate van agressie die de verdachte ten toon heeft gespreid en de dramatische afloop van dit schietincident, is het Hof van oordeel dat aan de ernst van de feiten en de generaal preventieve werking onvoldoende recht is gedaan door de in eerste aanleg opgelegde straf. Om die reden acht het Hof een hogere gevangenisstraf van 15 jaren op zijn plaats."

2.5. Het middel klaagt dat de verwijzing in de strafmotivering naar "de omstandigheid dat de verdachte op verschillende momenten had kunnen afzien van zijn voornemen om op een dergelijke wijze zijn gram te halen" onbegrijpelijk is, gelet op de vrijspraak van het handelen met voorbedachten rade. De klacht berust op een onjuiste lezing van voormelde overweging omdat het Hof daarin tot uitdrukking heeft gebracht dat de verdachte gedurende enige tijd het voornemen heeft gehad om zijn gram te halen over een kort daarvoor ontstane aanrijding met het slachtoffer zonder dat toen ook al een specifiek voornemen tot levensberoving bestond. Het middel kan dus bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis.

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren en tien maanden.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 3 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze veertien jaren en vier maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, J.W. Ilsink, J. de Hullu en W.F. Groos, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 13 oktober 2009.