Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BJ3252

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-11-2009
Datum publicatie
24-11-2009
Zaaknummer
07/11320
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BJ3252
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Verzoek om fotoconfrontatie, criterium. 2. Onrechtmatige aanhouding. Ad 1.Het Hof heeft de juiste maatstaf gehanteerd (noodzaak) en het oordeel is voorts toereikend gemotiveerd. Ad 2. De aan het Hof voorbehouden uitleg van het verweer, te weten dat het beroep op een vormverzuim betrekking heeft op de toepassing van vrijheidsbenemende dwangmiddelen dat aan de R-C kon worden voorgelegd en dat wegens het gesloten stelsel ttz. niet meer aan de orde kon komen, is niet onbegrijpelijk.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 316
Wetboek van Strafvordering 328
Wetboek van Strafvordering 331
Wetboek van Strafvordering 359a
Wetboek van Strafvordering 415
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2010, 1
NBSTRAF 2010/1
RvdW 2009, 1433
NJ 2011/194
NJB 2009, 2265

Uitspraak

24 november 2009

Strafkamer

nr. 07/11320

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 31 augustus 2007, nummer 21/004135-06, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. E.D. van Elst, advocaat te Veenendaal, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof het verzoek van de verdediging tot een meervoudige fotoconfrontatie ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft afgewezen.

2.2. Ten laste van de verdachte heeft het Hof bewezenverklaard dat:

"hij op 8 oktober 2005 te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld toebehorende aan [A], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld bestond uit het

- onverhoeds te voorschijn komen en

- tegen [slachtoffer] zeggen 'Stil zijn! Stil zijn!' en 'Geld, ik wil geld zien' en

- het tegenhouden van [slachtoffer] en

- [slachtoffer] (op dreigende en/of dwingende toon) de woorden: 'Blijf stil staan' en/of 'Niets zeggen' toe te voegen."

2.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7 maart 2007 houdt ten aanzien van het in het middel bedoelde verzoek het volgende in:

"De raadsvrouw voert vervolgens aan:

Mijn cliënt voelt zich niet schuldig aan het tenlastegelegde feit. Op 9 januari 2007 zijn door de rechter-commissaris getuigen gehoord. Ik had eerder om het horen van de getuigen gevraagd. Met name gingen de verhoren over de in het dossier genoemde Audi A3.

Behalve het horen van de getuigen had ik ook verzocht om een meervoudige fotoconfrontatie.

Ik heb met de getuigen bij genoemde verhoren ook over een dergelijke confrontatie gesproken en [betrokkene 1] (de Hoge Raad leest: [betrokkene 1]) gaf aan dat hij de bewuste persoon via een dergelijke confrontatie wel zou herkennen. (...)

De advocaat-generaal voert aan:

(...)

Ik heb eerder niet gereageerd op het verzoek aangaande de fotoconfrontatie aangezien de getuigen door de rechter-commissaris zouden worden gehoord en ik aannam dat ook daar de rechter-commissaris verzocht was een meervoudige fotoconfrontatie te (laten) doen.

Ik zie echter geen noodzaak tot het uitvoeren van een meervoudige fotoconfrontatie. Ik wijs dan vooral op het resultaat van het DNA-onderzoek.

(...)

De raadsvrouw verklaart vervolgens:

Ik heb niet aan de rechter-commissaris verzocht om een fotoconfrontatie te doen uitvoeren, aangezien ik vind dat een dergelijke confrontatie via het openbaar ministerie dient te lopen.

Het gaat mij erom wat en wie de getuigen hebben gezien. Mijn cliënt stelt dat hij op die bewuste dag niet in een Audi A3 heeft gereden, niet op een muurtje heeft gezeten en niet voorbij is gerend, zoals dat zou blijken uit het dossier.

(...)

Na gehouden beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mee:

- dat het verzoek om een meervoudige fotoconfrontatie wordt afgewezen, aangezien het hof van oordeel is dat eventuele uitkomsten daarvan onvoldoende relevant zijn voor een door het hof te nemen beslissing in deze zaak."

2.4.1. Uit het vorenstaande volgt dat de raadsvrouwe een verzoek heeft gedaan als bedoeld in art. 328 in verbinding met art. 331 Sv om gebruik te maken van de in art. 316 Sv omschreven bevoegdheid. Ingevolge art. 415 Sv zijn deze bepalingen van overeenkomstige toepassing in hoger beroep. De maatstaf voor de beslissing op een zodanig verzoek is of de rechter de noodzaak van hetgeen wordt verzocht, is gebleken.

2.4.2. In de overweging van het Hof ligt als zijn oordeel besloten dat het een meervoudige fotoconfrontatie niet noodzakelijk achtte. Het Hof heeft dus de juiste maatstaf gehanteerd. Dat oordeel is toereikend gemotiveerd gelet op hetgeen de verdediging aan het verzoek ten grondslag heeft gelegd en op het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep zoals daarvan blijkt uit hetgeen hiervoor onder 2.3 is weergegeven.

2.5. Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.

3. Beoordeling van het vierde middel

3.1. Het middel klaagt over de verwerping van het tot strafvermindering strekkende verweer dat de aanhouding van de verdachte onrechtmatig was.

3.2. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw van verdachte, evenals in eerste aanleg, bepleit dat nu de rechter-commissaris heeft geoordeeld dat de aanhouding van verdachte onrechtmatig is geweest, er sprake is van een vormverzuim, welk verzuim, bij bewezenverklaring, dient te leiden tot strafvermindering.

Het hof is, evenals de advocaat-generaal, van oordeel dat deze toetsing aan de rechtercommissaris is voorbehouden en verwijst daartoe naar het arrest van de Hoge Raad van 30 maart 2004, LJN AM2533, inhoudende onder meer:

"Art. 359a Sv is ook niet van toepassing bij vormverzuimen die betrekking hebben op bevelen inzake de toepassing van vrijheidsbenemende dwangmiddelen welke kunnen worden voorgelegd aan de rechter-commissaris die krachtens de wet belast is met het toezicht op de toepassing dan wel de voortduring van bepaalde tijdens het voorbereidend onderzoek bevolen vrijheidsbenemende dwangmiddelen en die aan dergelijke verzuimen rechtsgevolgen kan verbinden ten aanzien van de voortzetting van de vrijheidsbeneming. Tegen het oordeel van de rechter-commissaris dat het verleende bevel tot inverzekeringstelling niet onrechtmatig is en/of dat er geen gronden zijn het verzoek tot invrijheidstelling van de verdachte in te willigen, staat geen hogere voorziening open. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken zou op onaanvaardbare wijze worden doorkruist indien bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting opnieuw of alsnog een beroep zou kunnen worden gedaan op verzuimen bij de inverzekeringstelling die aan de rechter-commissaris zijn of hadden kunnen worden voorgelegd."

Het hof verwerpt derhalve het verweer."

3.3. Het Hof heeft het beroep op de onrechtmatige aanhouding van de verdachte verstaan als een beroep op een vormverzuim dat betrekking heeft op de toepassing van vrijheidsbenemende dwangmiddelen dat aan de Rechter-Commissaris kon worden voorgelegd en dat wegens het gesloten stelsel van rechtsmiddelen ter terechtzitting niet meer aan de orde kon komen. Die aan het Hof voorbehouden uitleg van het gevoerde verweer is niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat de processen-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep en de aldaar door de raadsvrouwe overgelegde pleitnota niets inhouden omtrent voormeld verweer en dus ook - in afwijking van het door het Hof geciteerde arrest - niet een duidelijk en gemotiveerd betoog bevatten waarin aan de hand van de factoren van art. 359a, tweede lid, Sv is aangegeven waarom op grond van die wetsbepaling in het kader van de afdoening van de hoofdzaak strafvermindering zou moeten worden toegepast.

3.4. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

4. Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van achttien maanden.

6. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 5 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze zeventien maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, B.C. de Savornin Lohman, H.A.G. Splinter-van Kan en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 24 november 2009.