Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BJ3241

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-10-2009
Datum publicatie
14-10-2009
Zaaknummer
07/10941
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BJ3241
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 288.1 ahf onder a Sv jo. art. 287.3 ahf onder b Sv; mogelijkheid afzien hernieuwde oproeping van een niet verschenen getuige. Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat het Hof niet had mogen afzien van het horen van getuige X, nu de verdediging niet in de gelegenheid was gesteld hem ter terechtzitting te ondervragen. Die opvatting vindt in beginsel geen steun in het recht. Het Hof heeft i.c. geoordeeld dat het onaannemelijk is dat getuige X binnen een aanvaardbare termijn t.t.z. zal verschijnen. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk, gelet op de vaststellingen van het Hof dat het onderzoek t.t.z. reeds tweemaal was geschorst doch de getuige X noch aan de aanzegging opnieuw ter terechtzitting te verschijnen, noch aan zijn oproeping gehoor heeft gegeven, terwijl het bij de oproeping gegeven bevel tot medebrenging niet ten uitvoer kon worden gelegd, omdat hij niet op zijn GBA-adres werd aangetroffen en telefonisch onbereikbaar was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 1241
NJB 2009, 1955

Uitspraak

13 oktober 2009

Strafkamer

Nr. 07/10941

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 16 juli 2007, nummer 20/000566-06, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. H.E.P. van Geelkerken, advocaat te Heerlen, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof de verdediging ten onrechte de mogelijkheid heeft onthouden de getuige [getuige 1] te ondervragen.

2.2. De procesgang en 's Hofs motivering van de beslissing om af te zien van een nadere oproeping van de getuige [getuige 1] zijn weergegeven in de conclusie van de waarnemend Advocaat-Generaal onder 3.2.

2.3. De onderhavige zaak wordt hierdoor gekenmerkt dat de ter terechtzitting in hoger beroep van 18 december 2006 verschenen - en aldaar door het Hof, maar nog niet door de Advocaat-Generaal bij het Hof en de verdediging ondervraagde - getuige [getuige 1] op de nadere hem aangezegde terechtzitting van 5 april 2007 niet is verschenen en dat deze getuige ook na een hernieuwde schorsing van het onderzoek met bevel tot zijn oproeping niet op de nadere terechtzitting van 2 juli 2007 is verschenen, waarna het Hof het onaannemelijk heeft geoordeeld dat de getuige [getuige 1] binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zou verschijnen en mede met het oog op het verzekeren van berechting van de zaak binnen een redelijke termijn heeft afgezien van een hernieuwde oproeping van de getuige [getuige 1] en de zaak heeft afgedaan.

2.4. Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat het Hof niet had mogen afzien van het horen van de getuige [getuige 1], nu de verdediging niet in de gelegenheid was gesteld hem ter terechtzitting te ondervragen. Die opvatting vindt in haar algemeenheid geen steun in het recht. Het ingevolge art. 415 Sv hier toepasselijke art. 288, eerste lid aanhef en onder a, Sv in verbinding met art. 287, derde lid aanhef en onder b, Sv kent de mogelijkheid af te zien van de hernieuwde oproeping van een niet verschenen getuige die aan de eerdere oproeping - in dit geval de aanzegging voor de terechtzitting van 5 april 2007 en de oproeping voor de terechtzitting van 2 juli 2007 - geen gevolg heeft gegeven, onder meer indien het, zoals het Hof hier oordeelde, onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen. Het oordeel van het Hof geeft mitsdien geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Onbegrijpelijk is dat oordeel evenmin, gelet op de vaststellingen van het Hof dat het onderzoek ter terechtzitting reeds tweemaal was geschorst doch de getuige [getuige 1] noch aan de aanzegging opnieuw ter terechtzitting te verschijnen, noch aan zijn oproeping gehoor heeft gegeven, terwijl het bij de oproeping gegeven bevel tot medebrenging niet ten uitvoer kon worden gelegd, omdat hij niet op zijn GBA-adres werd aangetroffen en telefonisch onbereikbaar was.

2.5. Reeds daarom faalt het middel.

3. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;

vermindert het aantal uren taakstraf in die zin dat dit 228 uren bedraagt;

vermindert de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze 114 dagen beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 13 oktober 2009.