Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BJ3229

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-10-2009
Datum publicatie
14-10-2009
Zaaknummer
01974/07
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BJ3229
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bewijsklacht. De bewezenverklaring kan niet zonder meer worden afgeleid uit de inhoud van de bewijsmiddelen. De uitspraak is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 1247

Uitspraak

13 oktober 2009

Strafkamer

nr. 01974/07

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 18 januari 2007, nummer 21/000391-06, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.E.H. Jager, advocaat te Amersfoort, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de beslissing ten aanzien van het onder 2 primair tenlastegelegde en de strafoplegging, tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 2 niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

2.2. Ten laste van de verdachte heeft het Hof onder 2 bewezenverklaard dat hij:

"op of omstreeks 19 oktober 2005 in [plaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning (gelegen aan de [a-straat]) heeft weggenomen een portemonnee met daarin ondermeer een bibliotheekpas en een creditcard en een of meer overige pasjes toebehorende aan [slachtoffer]."

2.3. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:

"Ik doe aangifte van diefstal uit mijn woning aan de [a-straat 1] te [plaats]. Op woensdag 19 oktober 2005 ontdekte ik 's nachts dat onze achterdeur niet afgesloten was. Toen ik vanmorgen mijn tasje pakte bemerkte ik dat mijn telefoon en portemonnee ontvreemd waren uit mijn tasje. Een insluiper heeft dit de afgelopen nacht ontvreemd uit onze woning. In mijn portemonnee zaten (onder andere) de navolgende goederen: Creditcard ABN Mastercard, diverse pasjes.

Nadat ik de diefstal bemerkt had heb ik direkt contact opgenomen met het creditcardbedrijf. Ik kreeg te horen dat er een bedrag van 2429,50 euro was afgeschreven door een bedrijf uit Rotterdam. Vanochtend kreeg mijn man via zijn email-adres een orderbevestiging van elektronica-apparatuur ter waarde van 2429,50 euro. Deze bestelling was op 19 oktober 2005 om 05.20 uur gedaan bij de PDAshop.nl te Rotterdam."

b. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]:

"In de nacht van dinsdag op woensdag (het hof begrijpt: woensdag 19 oktober 2005) hebben [betrokkene 2] en [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) bij mij op de computer gewerkt. Ik ben rond 1:00 uur gaan slapen. Ik ben nog wakker geworden en zag toen dat [betrokkene 2] nog alleen achter de computer zat. Ik hoorde [betrokkene 2] zeggen dat [verdachte] even weg was. Rond 2:30 uur ben ik wakker geworden van de deurbel. Ik zag dat [verdachte] voor de deur stond. Ik zag dat hij pasjes bij zich had. Ik zag dat hij deze uit een tas haalde. Ik herkende dat dat de tas van [verdachte] was. Ik zag dat hij uit deze tas onder andere een creditcard haalde. Ik zag dat hij vervolgens achter de computer ging zitten. In de ochtend, ik schat rond 7:00 uur, zag ik dat [verdachte] en [betrokkene 2] nog steeds achter de computer zaten. Ik vroeg hen wat ze aan het doen waren. Vervolgens hoorde ik dat ze spullen gingen bestellen door middel van een creditcard."

c. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

"Op 26 oktober 2005 werd verdachte [verdachte] aangehouden. Met toestemming van verdachte keken wij, verbalisanten, onder meer in zijn portemonnee. In de portemonnee werd onder meer een bibliotheekpas aangetroffen ten name van [slachtoffer]."

2.4. Aangezien deze bewezenverklaring, voor zover behelzende dat het de verdachte is geweest die een bibliotheekpas, een creditcard en één of meer overige pasjes toebehorende aan [slachtoffer] uit een woning gelegen aan de [a-straat] in [plaats] heeft weggenomen, niet zonder meer kan worden afgeleid uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, is de uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.

3. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 13 oktober 2009.