Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BJ2851

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-09-2009
Datum publicatie
22-09-2009
Zaaknummer
09/01496 U
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BJ2851
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vervolgingsuitlevering. In de bestreden uitspraak is ten onrechte art. 47 Sr niet vermeld als i.c. mede toepasselijke wetsbepaling. De HR herstelt het verzuim. Overige middelen (gericht tegen de toelaatbaarverklaring en over schending art. 3 EVRM): 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 1117
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 september 2009

Strafkamer

nr. 09/01496 U

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te Haarlem van 31 maart 2009, nummer RK 09/107, op een verzoek van de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van:

[De opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1945, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Midden Holland, locatie Haarlem" te Haarlem.

1. De bestreden uitspraak

De Rechtbank heeft de uitlevering van de opgeëiste persoon toelaatbaar verklaard ter fine van strafvervolging ter zake van - naar de Hoge Raad begrijpt - het feit zoals dat is omschreven onder 'Count 1' van de First Superseding Indictment van 28 augustus 1997 (Exhibit A bij het uitleveringsverzoek).

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft mr. D.W.H.M. Wolters, advocaat te Hoofddorp, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het eerste en het tweede middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het derde middel

4.1. Het middel klaagt dat de Rechtbank heeft verzuimd art. 47 Sr te vermelden als te dezen mede toepasselijke wetsbepaling.

4.2. Blijkens de bestreden uitspraak levert het feit waarvoor de uitlevering is gevraagd naar Nederlands recht op:

"deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren van een grote hoeveelheid hasjiesj (artikel 11a Opiumwet), dan wel;

deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven (artikel 140 Wetboek van Strafrecht), dan wel;

het tesamen en in vereniging (de Hoge Raad leest: opzettelijk) binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren van een grote hoeveelheid hasjiesj (artikel 3 onder A/B Opiumwet)."

4.3. Gelet hierop is in de bestreden uitspraak art. 47 Sr ten onrechte niet vermeld als te dezen mede toepasselijke wetsbepaling. Het middel klaagt hierover terecht. De Hoge Raad zal dit verzuim herstellen.

5. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet als volgt worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover daarin art. 47 Sr niet is vermeld als te dezen mede toepasselijke wetsbepaling;

vermeldt art. 47 Sr als mede toepasselijke wetsbepaling;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 22 september 2009.