Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BJ2831

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-12-2009
Datum publicatie
16-12-2009
Zaaknummer
08/01176
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BJ2831
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Eigen waarneming Hof. Kenbaarheid. HR zet rechtsregels uiteen voor het gebruik van de eigen waarneming van de rechter als wettig bewijsmiddel. Art. 339.1 Sv. Art. 340 Sv. Het Hof heeft i.c., zonder gehouden te zijn ttz. mededeling te doen omtrent zijn waarneming dat verdachte voldoet aan de door deze opsporingsambtenaar van de plegers van de overval gegeven beschrijving, die waarneming zonder schending van enige rechtsregel tot het bewijs kunnen bezigen (vgl. HR LJN AD1610).

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 339
Wetboek van Strafvordering 340
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2010, 8
NBSTRAF 2010/8
RvdW 2010, 69
NJ 2011/78
NJB 2010, 120

Uitspraak

15 december 2009

Strafkamer

nr. S 08/01176

CB/SM

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 21 februari 2008, nummer 23/004350-07, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Flevoland, locatie Lelystad" te Lelystad.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. S.M. Krans, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verlaging van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 28 oktober 2006 te Assendelft, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4], [slachtoffer 5], [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7], allen medewerkers van supermarkt [A], gelegen aan de [a-straat] te [plaats], heeft gedwongen tot de afgifte van EUR 47.224,- en 146 telefoon opwaardeerkaarten van verschillende providers, toebehorende aan [A] supermarkt, hebbende verdachte en/of zijn mededader,

- zich naar die supermarkt begeven,

- zich voorzien van vuurwapens en hun hoofd bedekkende bivakmutsen,

- [slachtoffer 2] voornoemd bij de nek vastgepakt en die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: "dit is een overval, rustig blijven", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking,

- daarbij een vuurwapen op die [slachtoffer 2] gericht en gericht gehouden,

- [slachtoffer 2], [slachtoffer 1], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 7] voornoemd dreigend toegevoegd dat zij hun mobiele telefoons moesten neerleggen en dat verdachte en zijn mededader geld wilden hebben en dat zij, verdachte en zijn mededader geld uit de kluis wilden hebben,

- nieuw arriverende medewerkers van die supermarkt onder bedreiging van vuurwapens in de kantine van die supermarkt laten plaatsnemen,

- alle zich in de supermarkt bevindende medewerkers, [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4], [slachtoffer 5], [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7], naar de magazijnruimte van die supermarkt geleid, en

- de handen van die medewerkers op de rug vastgebonden met tie-rips."

2.2. De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a Sv houdt als de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen het volgende in:

"1. Een proces-verbaal van 31 oktober 2006, opgemaakt door [verbalisant 1]. Dit proces-verbaal (rode ordner 1, doorgenummerde bladzijden 131 tot en met 133) houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven als verklaring van [getuige 4]:

Ik ben bedrijfsleider van een filiaal van [A], gevestigd te [plaats]. Ik ben bevoegd tot het doen van aangifte. Op 28 oktober 2006 werd [A] supermarkt door twee gemaskerde en gewapende mannen overvallen. De daders hebben een totaalbedrag van € 47.224,- en 146 telefoonkaarten weggenomen. De telefoonkaarten waren van vijf providers in Nederland. Met de telefoonkaarten kun je het beltegoed opwaarderen van een mobiele telefoon. De genoemde goederen zijn eigendom van [A]. [A] heeft niemand recht of toestemming gegeven tot het weg nemen van deze goederen en deze zich toe te eigenen.

2. Een proces-verbaal van 28 oktober 2006, opgemaakt door [verbalisant 2]. Dit proces-verbaal (rode ordner 1, doorgenummerde bladzijden 140 tot en met 145) houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven als verklaring van [slachtoffer 1]:

Ik ben werkzaam als hoofdcassière bij [A] te [plaats]. Op 28 oktober 2006, rond 06.30 uur, zijn [slachtoffer 7], [slachtoffer 5], [slachtoffer 2] (het hof begrijpt: [slachtoffer 2]) en ik naar de dienstingang van [A] gelopen. [Slachtoffer 2] opende het rolluik. Op dat moment zag ik dat twee mannen tevoorschijn kwamen, een lange dikke man met een pistool en een kleinere man, met een revolver. Zij droegen beiden bivakmutsen. Een van hen of beiden zeiden: "Dit is een overval". Ik zag dat zij meteen [slachtoffer 2] vastpakten. [Slachtoffer 2] heeft de deur opengedaan. Op een gegeven moment hebben wij vieren onze mobiele telefoons op de balie moeten leggen. Ik heb tegen de overvallers gezegd dat er een tijdslot op de kluis zat en dat ik de kluis niet eerder open kon maken dan om zeven uur. Ik ben met de kleine overvaller de kluisruimte ingegaan. Ik heb de codes ingetikt, waarna ik de kluis kon openen. De kleine overvaller zei tegen mij dat ik alles uit de kluis moest halen. Ik heb dit toen gedaan. Ik heb zeven etuis gepakt met startgeld voor de te openen kassa's, 10 of 12 sealbags met de dagopbrengsten van de hele week, wisselgeld en telefoonkaarten. Ik stopte alles in een tas. Nadat ik de tas had gevuld moesten we meelopen naar het magazijn. Hier vertelde de kleine overvaller dat hij onze handen ging binden met tie-rips.

De kleine man was ongeveer 1,80 a 1,85 meter lang. Hij was blank en droeg zwarte legerkisten. Hij droeg een blauwe trainingsbroek met een witte smalle bies aan de zijkant.

3. Een proces-verbaal van 28 oktober 2006, opgemaakt door [verbalisant 1]. Dit proces-verbaal (rode ordner 1, doorgenummerde bladzijden 146 tot en met 149) houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 2]:

Ik ben verkoopster bij [A] in [plaats]. Met [slachtoffer 1], [slachtoffer 7] en [slachtoffer 5] ben ik naar de personeelsingang gelopen. Ik heb het rolluik geopend. Ik hoorde iemand roepen: "Dit is een overval". Ik zag dat een kleine en een grote man naar ons toe kwamen lopen. De kleinste van de mannen had een donker pistool in zijn handen met een draaiding en de langste man een pistool of revolver. De kleinste man pakte mij in mijn kraag en zei dat ik de deur open moest maken; ik heb toen onder bedreiging van het wapen de deur opengedaan. De man hield zijn revolver in mijn nek. Onder bedreiging van de twee mannen moesten we naar het kassakantoor lopen. De kleinste man zei dat we onze mobiele telefoons op de balie moesten leggen. Wij moesten wachten in verband met de tijdklok op de kluis. Wij zijn allen teruggelopen naar de kantine. Toen wij in de kantine kwamen zaten daar [slachtoffer 4] en [slachtoffer 6], werknemers van [A]. Wij zijn het kassakantoor ingegaan. [Slachtoffer 1] en ik hebben de kluiscode ingevoerd en de kluis was open. [Slachtoffer 1] pakte spullen uit de kluis, waaronder geld en telefoonkaarten, die in de tas van de overvaller werden gestopt. Wij moesten allen naar het magazijn. In het magazijn kregen wij allemaal tie-rips om onze polsen, terwijl wij onze handen op onze rug moesten doen.

De kleinste overvaller was ongeveer 1.80 en de grootste ongeveer 2 meter lang. De kleinste overvaller had een as-kleurig baardje en onder zijn rechteroog een klein wit vlekje. Hij droeg zwarte nieuwe schoenen, een soort bergschoenen.

4. Een proces-verbaal van 28 oktober 2006, opgemaakt door [verbalisant 2]. Dit proces-verbaal (rode ordner 1, doorgenummerde bladzijden 150 tot en met 152) houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 3]:

Ik ben als cassière werkzaam bij [A] te [plaats]. Rond 7.10 uur kwam ik bij [A]. Bij de dienstingang werd opengedaan door [slachtoffer 5], die mij vertelde dat er een overval gaande was. Naast [slachtoffer 5] zag ik een man met een bivakmuts op. Ik zag dat deze man erg lang was. Later heb ik een andere overvaller gezien die een stuk kleiner was. Wij zijn naar het telkantoor gegaan. Daar zag ik ook [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 7], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 6] staan. Ik zag dat [slachtoffer 1] spullen uit de kluis haalde. Daarna moesten we naar het magazijn. We moesten met onze rug naar hen toe gaan staan, zodat zij onze handen konden binden met tie-rips. Ik heb bij de mannen een pistool en een revolver gezien.

5. Een proces-verbaal van 28 oktober 2006, opgemaakt door [verbalisant 3]. Dit proces-verbaal (rode ordner 1, doorgenummerde bladzijden 153 tot en met 156) houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 4]:

Ik werk bij [A] te [plaats]. Op 28 oktober 2006 liep ik naar de personeelsingang en belde aan. [Slachtoffer 2] deed de deur open. Ik zag een man met een revolver. Ik noem die man "de kleine". Ik ben naar binnen gegaan. We liepen naar de servicebalie waar ik een aantal collega's zag staan. Bij die collega's zag ik ook een tweede man met een fors postuur, die wel twee meter lang was. Ik zag dat die lange man een pistool had. Ik moest mijn telefoon op de balie leggen. Ik hoorde die "kleine" tegen [slachtoffer 1] zeggen dat hij de code van de kluis wilde hebben. Ik hoorde die kleine wel een keer of zes zeggen dat het hem alleen om het geld ging. Nadat de kluis was geopend werd al het geld in een tas gedaan en moesten we met zijn allen naar het magazijn. We moesten onze handen achter op de rug houden. Vervolgens werden wij vastgebonden met tie-rips.

6. Een proces-verbaal van 28 oktober 2006, opgemaakt door [verbalisant 4]. Dit proces-verbaal (rode ordner 1, doorgenummerde bladzijden 157 tot en met 160) houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de op die datum tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer 5]:

Ik ben als cassière werkzaam bij [A] te [plaats]. Vandaag kwam ik om 06.35 uur aan bij de supermarkt. Ook [slachtoffer 7], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] arriveerden. [Slachtoffer 2] had de sleutels om het bedrijf te openen en zij deed het rolluik omhoog.

Op dat moment kwamen er twee mannen tevoorschijn. Zij riepen: "Dit is een overval". Een man was groot, ik schat hem op 2 meter. Ik zag dat hij een pistool in zijn hand had. Hij droeg een zwarte capuchon of iets wat daarop leek. De andere man was kleiner. Hij droeg een wollen Yankeemuts die over de ogen tot aan de kin was getrokken. Ik heb gezien dat hij een ringbaardje had. Hij had een revolver in zijn hand. Ik zag dat een van die mannen [slachtoffer 2] vastpakte bij haar kraag en dat tegen haar werd gezegd dat zij de deur open moest maken. Ik heb gezien dat [slachtoffer 2] door een van de overvallers met het wapen in de nek werd gedrukt. Wij stonden met zijn allen in de supermarkt. Wij moesten op bevel van de overvallers onze mobiele telefoons op de balie neerleggen. [Slachtoffer 1] moest de kluis leeghalen. Daarna moesten we naar het magazijn. We moesten onze handen op de rug houden, waarna deze met tierips werden vastgebonden.

7. Een proces-verbaal van 28 oktober 2006, opgemaakt door [verbalisant 4]. Dit proces-verbaal (rode ordner 1, doorgenummerde bladzijden 161 tot en met 163) houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de op die datum tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer 6]:

Ik ben werkzaam als vakkenvuller bij [A] te [plaats]. Ik kwam vanmorgen om 06.45 uur aan bij [A]. Ik ben via de kantine-ingang naar binnen gegaan. Ik zag [slachtoffer 5]. Ik zag dat er een man achter haar stond met een pistool in zijn hand. Ik zag twee overvallers. De ene was een grote man met een pistool en een zwarte bivakmuts op. De andere man was kleiner. Hij droeg een grijze Yankeemuts over zijn gezicht waarin gaten zaten geknipt. Hij had een stoppelbaardje. Ik moest mijn mobiele telefoon op de balie leggen. Nadat de kluis open kon moest [slachtoffer 1] geld en telefoonkaarten in een tas doen. Daarna moesten we met zijn allen naar het magazijn en onze handen achter op onze rug houden. Hierop werden onze handen op de rug vastgebonden met een tie-rip.

8. Een proces-verbaal van 28 oktober 2006, opgemaakt door [verbalisant 5]. Dit proces-verbaal (rode ordner 1, doorgenummerde bladzijden 164 tot en met 167) houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de op die datum tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer 7]:

Ik heb een parttime baan bij [A] (het hof begrijpt: te [plaats]). Ik zag om 06.30 [slachtoffer 5] aan komen fietsen. Tegelijkertijd kwamen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met de auto aanrijden. [Slachtoffer 2] of [slachtoffer 1] heeft de code van het rolluik ingetoetst. Toen het rolluik omhoog ging kwamen twee mannen van achter [A] vandaan. Een van hen was een grote man van ongeveer twee meter lang, met een zwart pistool en een zwarte bivakmuts op. Het model was plat. De andere man was kleiner, ik schat ongeveer 1.80 meter lang. Hij had een grijze bivakmuts op en had een revolver in zijn rechterhand. De grote man riep onmiddellijk: "Dit is een overval, blijf rustig". De kleinere man pakte [slachtoffer 2] in haar nek en riep: "Open die deur. Open die deur". De grote man hield intussen het pistool op ons gericht. [Slachtoffer 2] maakte de deur open. We liepen door de kantine richting het magazijn. Ik hoorde dat een van de overvallers vroeg waar de kluis was en wie de sleutel van de kluis had. Ik hoorde [slachtoffer 1] zeggen dat de kluis in het kantoor stond en dat zij de sleutel had. Bij de balie moesten wij onze mobiele telefoons afgeven. Ik hoorde dat de kluis begon te piepen. Dat is het teken dat de kluis open is. [Slachtoffer 1] heeft het geld en de telefoonkaarten die in de kluis zaten in een tas gedaan. We liepen terug naar het magazijn. De grote overvaller heeft vervolgens tie-rips om onze handen gebonden.

9. Een proces-verbaal van 30 november 2006, opgemaakt door [verbalisant 6]. Dit proces-verbaal (rode ordner 1, doorgenummerde bladzijden 265 tot en met 268) houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisant:

Betreft een gewapende overval op 28 oktober 2006 op de supermarkt [A], gevestigd te [plaats], gemeente [...].

In [A] is een camerabewakingssysteem aangebracht. Door de bedrijfsleidster van [A] zijn digitaal veiliggestelde beeldopnamen verstrekt van de overval op 28 oktober 2006. Tevens zijn beeldopnamen verstrekt van 16 oktober 2006 tot en met 27 oktober 2006. De beelden (het hof begrijpt: de beelden van 23 oktober 2006) zijn door mij, verbalisant, bekeken.

De kleinere man wordt aangeduid als BE1 en de grotere man als BE2.

Van 19:54:17 uur tot 19:54:21 uur.

- BE2 komt de winkel inlopen (printbijlage 1);

- Direct achter BE2 komt BE1 de winkel inlopen (printbijlage 2)

Van 19:55:37 uur tot 19:57:35 uur.

- BE1 en BE2 zijn te zien bij de kassablokken. BE2 draagt flessen en loopt naar kassa 1 (printbijlage 3).

- BE1 komt in beeld en heeft beide handen in de jaszakken (printbijlage 4).

- BE2 loopt recht achter BE1 naar kassa 1 (printbijlage 5).

- BE2 zet drie flessen op de band van kassa 1; hij praat kennelijk met BE1 (zie printbijlagen 6 en 7).

Signalement BE1:

- blanke huidskleur;

- lengte ongeveer 1,80 meter a 1,85 meter;

- gezet postuur;

- licht bollende buik;

- mogelijk wat haargroei bij de kin;

- de neus is redelijk puntig uitlopend;

- het hoofd staat opvallend schuin naar voren op de nek;

- donkerblauwe trainingsbroek met op de zijkanten een witte bies van ongeveer 2 centimeter breedte. Deze bies loopt van de bovenzijde (middel) tot aan de onderzijde (broekspijp). Verder zit ter hoogte van het linkerbovenbeen een wit klein logo. De pijpen zijn lang en vallen tot op de schoenen.

Signalement BE2:

- blanke huidskleur;

- lengte ongeveer 1,97 à 2,02 meter;

- gezet en zeer breed postuur;

- licht bollende buik;

- de voeten worden bij het lopen opvallend naar buiten gezet.

10. Zeven geschriften, te weten zeven printafdrukken van foto's (rode ordner 1, doorgenummerde bladzijden 269 tot en met 275). Op als deze geschriften, die als bijlagen 1 tot en met 7 aan deze aanvulling zijn gehecht, staat als opnamedatum vermeld: 2006-10-23.

11. Een proces-verbaal van 4 december 2006, opgemaakt door [verbalisant 6]. Dit proces-verbaal (rode ordner 1, doorgenummerde bladzijden 281 tot en met 285) houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verbalisant:

Overeenkomsten dader 1 (kleinere man) en persoon 1 (kleinere man) in [A] op 23-10-2006.

Ik, verbalisant, stelde onder meer de volgende overeenkomsten vast tussen de kleinere dader van de overval en de kleinere persoon die op 23 oktober 2006 in [A] was:

- blanke huidskleur;

- dezelfde of nagenoeg dezelfde lengte, ongeveer 1,80 meter lang;

- hetzelfde postuur, enigszins breed;

- dezelfde buikomvang, lichtbollend;

- dezelfde grootte en stand van de neus. De neus is redelijk puntig;

- het hoofd staat opvallend schuin naar voren op de nek;

- een donkerblauwe trainingsbroek met op de zijkanten een witte bies van ongeveer 2 centimeter breedte. Deze bies loopt van de bovenzijde (middel) tot aan de onderzijde (broekspijp). Verder zit ter hoogte van het linkerbovenbeen een wit klein logo. De pijpen zijn lang en vallen tot op de schoenen.

Door mij, verbalisant, zijn van deze dader van de overval en van de gelijkende man die op 23 oktober in [A] was, beelden uitgeprint. De beelden waarop de overeenkomsten naar voren komen zijn naast elkaar gezet op afzonderlijk gemaakte bijlagen. Dit betreffen de volgende bijlagen.

Bijlage 1 en 2, lengte.

Te zien is dat het hoofd steeds op gelijke hoogte is met de onderzijde van een daarachter staand rood kleurig flessenrek.

Bijlage 3, lengte.

Te zien is dat de bovenzijde van het hoofd steeds op gelijke hoogte staat met het wit/geel kleurig licht van kassablok 3.

Bijlage 4. postuur gezien vanaf de rugzijde.

Te zien is dat de breedte van de schouders overeenkomstig is.

Bijlage 5, postuur gezien vanaf de voorzijde.

Te zien is dat de breedte van de schouders overeenkomstig is en dat de personen dezelfde houding en postuur hebben.

Bijlage 6, stand van hoofd op de nek.

Te zien is een opvallend overeenkomstige schuine stand van de nek.

Bijlage 7. stand van hoofd op de nek.

Te zien is wederom de opvallend overeenkomstige schuine stand van de nek.

Bijlage 8. postuur met buikje.

Te zien is een overeenkomstige opbolling van de buik.

Bijlagen l. 2, 6, 7 en 8, donkerblauwe trainingsbroek met bies.

Te zien is een donkerblauwe trainingsbroek met witte bies over de gehele zijkanten van de broek. Deze bies is ongeveer 1 à 2 centimeter breed.

Overeenkomsten dader 2 overval (grotere man) en persoon 2 (grotere man) in [A] op 23-10-2006.

Ik, verbalisant, stelde onder meer de volgende overeenkomsten vast tussen de grotere dader van de overval en de grotere persoon die op 23 oktober 2006 in [A] was:

- blanke huidskleur;

- dezelfde of nagenoeg dezelfde lengte, ongeveer 2,00 meter lang;

- hetzelfde opvallend grote postuur, fors en breed;

- dezelfde buikomvang, licht bollend;

- dezelfde omvang van het hoofd, groot en rond;

- dezelfde stand en lengte van de armen, die opvallend naar buiten staan;

- dezelfde maat van voeten, die bij het lopen opvallend naar buiten worden gezet.

Door mij, verbalisant, zijn van deze dader van de overval en van de gelijkende man die op 23 oktober 2006 in [A] was, beelden uitgeprint. De beelden waarop de overeenkomsten naar voren komen zijn naast elkaar gezet op afzonderlijk gemaakte bijlagen. Dit betreffen de volgende bijlagen.

Bijlagen 9 en 10, lengte.

Te zien is dat de bovenzijde van het hoofd op ongeveer gelijke hoogte staat met een raamwand van de op de achtergrond staande vrieskast.

Bijlage 11, lengte.

Te zien is dat de bovenzijde van het hoofd steeds op gelijke hoogte staat met de bovenzijde van het totale beeld en de schouderpartij op gelijke hoogte staat het wit/geel kleurig licht van kassablok 3.

Bijlage 12, postuur gezien vanaf de rugzijde.

Te zien is dat de breedte van de schouders overeenkomstig is.

Bijlage 13, postuur gezien vanaf de voorzijde.

Te zien is dat de breedte van de schouders overeenkomstig is en dat de houding en het postuur dezelfde zijn.

Bijlage 14, postuur met zijaanzicht en buikje.

Te zien is een overeenkomstige opbolling van de buik.

Bijlage 15, postuur met schuin zijaanzicht.

Te zien is een overeenkomstige lichaamshouding en omtrek."

12. Vijftien geschriften, te weten vijftien printafdrukken van foto's (rode ordner 1, doorgenummerde bladzijden 286 tot en met 300). Deze geschriften, door het hof mede genummerd als bijlagen 8 tot en met 22, zijn aan deze aanvulling gehecht.

13. De verklaring die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2007 heeft afgelegd na het vertonen van de videobeelden van 23 oktober 2006 in [A], inhoudende:

Ik herken mijzelf op de getoonde videobeelden.

14. De eigen waarneming van het hof.

Op de terechtzittingen in hoger beroep heeft het hof onder meer waargenomen dat:

- verdachte aanmerkelijk kleiner is dat medeverdachte [medeverdachte];

- [verdachte] een wit vlekje onder zijn rechteroog heeft;

- [verdachte] een askleurig ringbaardje draagt;

- medeverdachte [medeverdachte] een grote forse man is met een gezet postuur."

15. Een geschrift, zijnde een weergave van een telefoongesprek. Dit geschrift (rode ordner III, doorgenummerde bladzijde 1384) houdt in, voor zover hier van belang:

03-01-07, 23.42 uur. [Medeverdachte] belt uit met nummer 06-[...].

Opmerking verbalisant: Tijdens het overgaan van de telefoon is op de achtergrond het geluid van een tv te horen. Ik hoorde aan de stem en het verhaal dat dit TV Noord-Holland betreft. [Medeverdachte] zegt dan letterlijk:

Die kleine ken ik wel, die grote niet.

Opmerking verbalisant: Dit wordt op een spottende toon gezegd door [medeverdachte].

[Verdachte] zegt dan letterlijk: dat zijn wijzelf, weetje.

16. De verklaring die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2007 heeft afgelegd, na het afspelen van de geluidsopname van het getapte gesprek op 3 januari 2007 te 23.42 uur:

Ik ben te horen in het zojuist afgespeelde telefoongesprek.

17. De verklaring die de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 14 juni 2007 heeft afgelegd, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - dat:

o hij op het moment dat dat gesprek plaatsvond met [medeverdachte] keek naar de uitzending van het televisie-programma Terplaatse waarin camerabeelden werden getoond van de gewapende overval op de supermarkt [A] te [plaats];

o hij tegen [medeverdachte] heeft gezegd: "Dat zijn wij".

18. Een proces-verbaal van 17 januari 2007, opgemaakt door [verbalisant 6] en [verbalisant 7]. Dit proces-verbaal (rode ordner, doorgenummerde bladzijden 597 tot en met 608) houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de op die datum tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van medeverdachte [medeverdachte]:

Wat is je lengte?

Ik ben 1,95 a 1,96 centimeter lang.

Je hebt een aparte manier van lopen. Je zwaait je benen naar buiten.

Dat komt door mijn beknelde en beschadigde zenuwen.

19. De verklaring die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 7 februari 2008 heeft afgelegd, inhoudende, voor zover hier van belang:

Ik ben 1,86 meter lang.

20. Een proces-verbaal van 20 december 2006, opgemaakt door [verbalisant 6] en [verbalisant 1]. Dit proces-verbaal (rode ordner I, doorgenummerde bladzijden 369 tot en met 372) houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisanten:

Op 20 december 2006 is zoeking gedaan in perceel [c-straat 1] te [plaats], de woning van [medeverdachte]. Bij deze zoeking werd onder meer een vuurwapen aangetroffen en inbeslaggenomen.

21. Een proces-verbaal van januari 2007, opgemaakt door [verbalisant 7]. Dit proces-verbaal (rode ordner II, doorgenummerde bladzijden 888 tot en met 902) houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisant:

In januari 2007 heb ik, verbalisant, een onderzoek ingesteld naar de onder de verdachte aangetroffen wapens en munitie. Het betrof een semi-automatisch pistool en munitie aangetroffen in een uitneembaar patroonmagazijn. Het pistool was geladen met zes scherpe patronen. Het pistool was niet doorgeladen.

22. Een proces-verbaal van 28 januari 2007, opgemaakt door [verbalisant 7]. Dit proces-verbaal (rode ordner II, doorgenummerde bladzijden 546 tot en met 552) houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisant:

Op 16 januari 2007 heeft een zoeking plaatsgevonden in de woning van [verdachte] aan de [b-straat 1] te [plaats]. Daarbij is onder meer een vuurwapen in de vorm van een revolver aangetroffen. Bij controle bleek de trommel te zijn voorzien van vijf scherpe patronen.

23. Een proces-verbaal van 16 januari 2007, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 5]. Dit proces-verbaal (rode ordner II, doorgenummerde bladzijden 559 tot en met 564) houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de op die datum tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [getuige 1]:

Ik woon samen met [medeverdachte]. Ik heb geen inkomsten. [Medeverdachte] heeft een uitkering van ongeveer € 786,- per maand. Sinds 2003 zitten we in de schuldsanering. De totale schuld bedraagt € 56.000,-. Momenteel hebben we helemaal geen geld. Ik ken [verdachte] via het café [B] in [plaats]. Wij gaan met elkaar om. [Medeverdachte] gaat regelmatig met [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte]) op stap.

Op zaterdag 28 oktober 2006, omstreeks 08.30 à 09.00 uur werd ik wakker en ging ik naar beneden. Ik zag [verdachte] en [medeverdachte] in de kamer zitten. Ze waren in een jolige bui. De volgende dag kreeg ik van [medeverdachte] een gouden ring met briljantjes.

Ik vroeg geld aan [medeverdachte] voor boodschappen. Ik kreeg dan geld van [medeverdachte]. Dit hield eigenlijk nooit op. Van dat geld hebben we boodschappen gedaan, meubels, cadeau's voor de kinderen enzovoort.

Ongeveer twee weken na mijn verjaardag (het hof begrijpt: twee weken na 29 oktober 2006) lagen er een heleboel telefoonkaarten van Telfort en Orange in huis. Ik heb aan [medeverdachte] gevraagd hoe hij aan die telefoonkaarten kwam. [medeverdachte] heeft hierop geen antwoord gegeven. [Medeverdachte] zei tegen mij dat het beter zou zijn als ik hier niets vanaf wist en dat ik mij niet druk hoefde te maken.

Op een gegeven moment zag ik een uitzending van Terplaatse. In die uitzending werd de overval op [A] behandeld. Ik zag de twee daders in beeld. Ik herkende een van de daders aan zijn loop. Ik herkende [medeverdachte] aan zijn loopje, in combinatie met zijn postuur. [medeverdachte] heeft namelijk ook zo'n loopje, waarmee ik bedoel dat hij met zijn voeten naar buiten loopt. Ik heb [medeverdachte] geconfronteerd met de beelden en heb hem gevraagd waar het geld vandaan kwam. [Medeverdachte] zei dat ik mij niet druk moest maken. [Medeverdachte] zei dat het beter was als ik het niet zou weten. Ik heb het ook met [verdachte] besproken. Ik mocht mij er van [medeverdachte] en [verdachte] niet mee bemoeien.

Toen [medeverdachte] was aangehouden ben ik direct naar [verdachte] gefietst. Nadat ik bij [verdachte] was aangekomen is [verdachte] meteen weggegaan. [Verdachte] heeft een plastic tas met schoenen weggedaan. Ik heb die dag ook meerder malen met [verdachte] gebeld. [Verdachte] zei me dat [medeverdachte] alleen was aangehouden voor het wapen.

24. Een proces-verbaal van 17 januari 2007, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 5]. Dit proces-verbaal (rode ordner II, doorgenummerde bladzijden 565 tot en met 571) houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de op die datum tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [getuige 1]:

Wat heb je [verdachte] allemaal verteld?

Dat [medeverdachte] was opgepakt door de politie. De politie is binnengeweest en heeft een wapen aangetroffen.

Hoe reageerde [verdachte]?

[Verdachte] schrok. [Verdachte] is naar boven gelopen en heeft iets uit de trapkast gepakt. [Verdachte] is met een tas en een paar zwarte grove schoenen de deur uitgegaan. [Verdachte] is niet lang weggeweest. [Verdachte] kwam zonder tas en schoenen terug. [Verdachte] was bang dat de politie zou komen.

25. Een proces-verbaal van 16 januari 2007, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 5]. Dit proces-verbaal (rode ordner II, doorgenummerde bladzijden 572 tot en met 575) houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de op die datum tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [getuige 2]:

Ik verdien ongeveer 1600 euro per maand. Ik woon sinds februari 2006 samen met [verdachte]. [Verdachte] heeft geen inkomen. Hij gebruikt geen bankrekeningen.

26. Een proces-verbaal van 16 januari 2007, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 5]. Dit proces-verbaal (rode ordner II, doorgenummerde bladzijden 576 tot en met 579) houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de op die datum tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [getuige 2]:

Ik geef [verdachte] zelden geld. [Verdachte] krijgt van mij zeker geen geld om luxe dingen te kopen. [Verdachte] had een koningsketting die hij heeft laten omsmelten bij een juwelier om ringen van te maken. U zegt dat die ketting 600 euro heeft gekost. Ik heb hem daarvoor echt geen geld gegeven. [Verdachte] heeft zwarte schoenen met een grove zool. [Verdachte] heeft een paar trainingsbroeken, blauwzwart van kleur, zowel met als zonder witte streep.

27. Een proces-verbaal van 23 januari 2007, opgemaakt door [verbalisant 5] en [verbalisant 1]. Dit proces-verbaal (rode ordner II, doorgenummerde bladzijden 623 tot en met 626) houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de op die datum tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [getuige 3]:

Van juli 2006 tot medio december 2006 heb ik samen met mijn vriend gewoond bij mijn broer [medeverdachte] (het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte]). Het viel mij op dat vóór de overval (het hof begrijpt: de overval op [A] op 28 oktober 2006) er moeilijk gedaan werd over het doen van boodschappen en na de overval dit probleem er niet meer was.

Wij, verbalisanten, laten de getuige videobeelden zien van de overvallers van [A].

Ik herken de grote man aan zijn loop. Dat is de loop van [medeverdachte]. [Medeverdachte] loopt met zijn voeten naar buiten. De schoenen die de grote man draagt lijken op de schoenen die [medeverdachte] ook heeft.

Ik ken [verdachte]. Ik ken hem omdat hij wel eens bij [medeverdachte] kwam. Ik weet dat mijn broer [medeverdachte] sinds lange tijd financiële problemen heeft.

28. Een proces-verbaal van 5 januari 2007, opgemaakt door [verbalisant 1]. Dit procesverbaal (rode ordner III, doorgenummerde bladzijden 1066 tot en met 1087) houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisant:

Bladzijde 1066 en 1067

Tijdens dit onderzoek zijn telefoongesprekken afgeluisterd, waarvan het vermoeden bestond dat [medeverdachte] en [verdachte] daaraan deelnamen.

Bladzijde 1081

20-12-2006 te 11.12 uur. (...) [verdachte] belt naar zijn vriendin [getuige 2] en zegt dat [medeverdachte] gearresteerd is. [Getuige 2] reageert met wat, dat is lekker. [Verdachte] zegt dat [getuige 2] thuis moet komen en dan naar haar werk moet gaan voor het geval ze hier ook komen. [Getuige 2] zegt dat dat goed is.(...)

20-12-2006 te 14.44 uur. Gesprek tussen [verdachte] en [getuige 1]. [Getuige 1] blijkt met de politie gebeld te hebben, maar die wilde niets loslaten. [Verdachte] zegt dat hij ook wel effe wil bellen, maar dat lijkt hem niet zo verstandig. [Getuige 1] zegt tegen [verdachte] dat dat ook niet verstandig is. (...)

21-12-2006 te 09.21 uur. [Verdachte] wordt gebeld door [getuige 1]. [Getuige 1] zegt dat [medeverdachte] vandaag of morgen vrij zal komen, zodra hij is voorgeleid. [Verdachte] zegt dat het dus alleen voor dat ding is. [Getuige 1] zegt dat het alleen daarom was. [Verdachte] zegt dat dat op zichzelf toch goed is. [Getuige 1] beaamt dat het goed is, dat het alleen daarom was. [Verdachte] zegt dat pleurisding...niet dat ding daarvoor weet je en lacht daarbij. [Verdachte] zegt dat hij hierover een beter gevoel heeft en dat het toch eigenlijk wel los loopt allemaal.

Bladzijde 1082

30-12-2006 te 01.32 uur. [Getuige 1] belt [medeverdachte]. [medeverdachte] zegt dat hij lekker zit en de champagne geregeld te hebben. [Getuige 1] zegt dat ze een tientje voor brood nodig heeft waarop [medeverdachte] zegt dat hij nog zes euro heeft. [Getuige 1] zegt dat ze eens goed met [medeverdachte] wil praten, want [medeverdachte] heeft niets geïnvesteerd en dat alles weg is. [Getuige 1] vindt dat [medeverdachte] haar aan het lijntje houdt en dat ze zijn spelletjes door heeft. [Getuige 1] zegt dat [medeverdachte] heel veel geld heeft uitgegeven en dat dat meer dan 10.000 euro is geweest. [Medeverdachte] zegt dat hij dat weet maar dat hij dat niet over de telefoon gaat zeggen en dat [getuige 1] nu bedragen over de telefoon zegt.

De aan deze aanvulling gehechte bijlagen zijn geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5e van het Wetboek van Strafvordering en worden slechts tot het bewijs gebezigd in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen. (...)"

2.3. In de bestreden uitspraak heeft het Hof met betrekking tot het bewijs het volgende overwogen:

"Het hof heeft mede tot het bewijs gebezigd twee processen-verbaal van bevindingen van rechercheur van politie [verbalisant 6], betreffende videobeelden van de bewakingscamera's van de supermarkt. In het proces-verbaal van 30 november 2006 ("bevindingen met betrekking tot camerabeelden [A] 23 oktober 2006") heeft voornoemde verbalisant aan de hand van de videobeelden een signalement vastgesteld van twee mannelijke bezoekers van de supermarkt op 23 oktober 2006 en geconcludeerd dat dit signalement grote overeenkomsten vertoont met het signalement van de twee eveneens op de videobeelden vastgelegde daders van de gepleegde overval op 28 oktober 2006. In het proces-verbaal van 4 december 2006 ("overeenkomsten personen op camerabeelden [A] d.d. 23 oktober 2006 en 28 oktober 2006") heeft voornoemde verbalisant de door hem waargenomen overeenkomsten van de verdachten en de daders beschreven.

Op verzoek van de verdediging is in eerste aanleg een deskundige van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) verzocht de videobeelden te bekijken en een oordeel te geven over de in de processen-verbaal ('bevindingen met betrekking tot camerabeelden [A] 23 oktober 2006', 'vergelijkend onderzoek met grotere dader overval [A]' en 'overeenkomsten personen op camerabeelden [A] d.d. 23 oktober 2006 en 28 oktober 2006') beschreven waarnemingen en getrokken conclusies. Deze deskundige, dr. J. Bijhold, heeft op 13 juni 2007 een rapport opgemaakt en is ter terechtzitting in hoger beroep van

7 februari 2008 als deskundige gehoord. De conclusie van het NFI onderzoek komt er -kort en zakelijk weergegeven- op neer dat er geen aanwijzingen zijn gevonden voor het bevestigen of weerleggen van de in de processen-verbaal van [verbalisant 6] beschreven waarnemingen en getrokken conclusies.

Gelet op de conclusie van het NFI en de toelichting ter terechtzitting door dr. Bijhold kan aan de bevindingen in de processen-verbaal geen wetenschappelijke bewijswaarde worden toegekend. De beschreven waarnemingen en de daaruit getrokken conclusie, te weten dat de verdachte en de medeverdachte worden herkend op de videobeelden van de daders, dient als een subjectieve herkenning van de waarnemer te worden beschouwd.

Het hof is van oordeel dat een subjectieve herkenning als de onderhavige voor het bewijs kan worden gebezigd, nu deze steun vindt in onder meer de eigen waarneming van het hof ter terechtzitting alsmede in andere bewijsmiddelen, zoals:

- de verklaring van de getuige [getuige 1];

- de verklaring van de getuige [getuige 3];

- enkele afgeluisterde telefoongesprekken;

- het uit de woning verwijderen door verdachte van een paar schoenen, in combinatie met andere bewijsmiddelen;

- de bij verdachte en zijn medeverdachte aangetroffen - deels voor onmiddellijk gebruik geschikte - vuurwapens;

- het uitgavenpatroon van medeverdachte [medeverdachte] na de overval."

3. Beoordeling van het derde middel

3.1. Het middel komt op tegen het gebruik tot het bewijs van de hiervoor als bewijsmiddel 14 opgenomen en in de nadere bewijsoverweging door het Hof genoemde eigen waarneming van het Hof.

3.2. De processen-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep van 15 november 2007 en 7 februari 2008, waarop de inhoudelijke behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden, houden in dat de zaak tegen de verdachte gelijktijdig doch niet gevoegd is behandeld met de strafzaak tegen zijn medeverdachte [medeverdachte]. Deze processen-verbaal houden niet in dat het Hof zijn eigen waarneming, zoals deze tot het bewijs is gebezigd, ter terechtzitting aan de orde heeft gesteld.

3.3.1. Art. 339, eerste lid, Sv luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"Als wettige bewijsmiddelen worden alleen erkend:

1º eigen waarneming van den rechter; (...)"

3.3.2. Art. 340 Sv luidt als volgt:

"Onder eigen waarneming van den rechter wordt verstaan die welke bij het onderzoek op de terechtzitting door hem persoonlijk is geschied."

3.4. Het middel behelst vooreerst de klacht dat het Hof zijn eigen waarneming omtrent de uiterlijke kenmerken van verdachtes mededader niet heeft gedaan in het kader van het onderzoek in de zaak tegen de verdachte. Die klacht faalt, in aanmerking genomen dat het Hof bij gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting in de onderhavige zaak feitelijk de bedoelde waarneming heeft kunnen doen, nu zowel de verdachte als de medeverdachte - zoals blijkt uit de processen-verbaal van de terechtzittingen in diens zaak, waarmee de Hoge Raad ambtshalve bekend is - bij het onderzoek ter terechtzitting is verschenen.

3.5.1. Het middel bevat voorts de klacht dat de processen-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep niet inhouden dat 's Hofs eigen waarneming bij de behandeling ter terechtzitting ter sprake is gekomen, zodat niet is voldaan aan het vereiste dat de verdediging de gelegenheid moet hebben gehad zich daaromtrent uit te laten.

3.5.2. Bij de beoordeling van die klacht moet het volgende worden vooropgesteld. Wil de eigen waarneming van de rechter als wettig bewijsmiddel kunnen meewerken tot het bewijs, dan zal deze, naar art. 340 Sv voorschrijft, bij het onderzoek ter terechtzitting moeten zijn gedaan, zodat ook zowel de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie als de verdachte en de raadsman die waarneming hebben kunnen doen en de gelegenheid hebben gehad zich daaromtrent bij de behandeling van de zaak uit te laten (vgl. HR 29 augustus 2006, LJN AX6414, NJ 2007, 134).

3.5.3. Het is in zijn algemeenheid niet vereist dat de rechter zijn eigen, bij gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting gedane waarneming aldaar ter sprake brengt.

Niettemin is de rechter gehouden dat wel te doen, indien de procespartijen door het gebruik van die waarneming voor het bewijs zouden worden verrast omdat zij daarmee geen rekening behoefden te houden. Of daarvan sprake is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals het procesverloop, de aard van de waarneming en het verband van die waarneming met het voorhanden bewijsmateriaal.

3.6. Een zodanig geval doet zich hier niet voor. Daarbij neemt de Hoge Raad het volgende in aanmerking:

(a) blijkens de voormelde processen-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep heeft de voorzitter de korte inhoud meegedeeld van de processen-verbaal van de opsporingsambtenaar [verbalisant 6], welke processen-verbaal een beschrijving inhouden van de uiterlijke kenmerken van de plegers van de bewezenverklaarde gewapende overval aan de hand van de daarvan beschikbare beeldopnamen;

(b) 's Hofs waarneming betrof slechts enkele uiterlijke kenmerken van de verdachte en de medeverdachte, die ook overigens uit de bewijsmiddelen zijn af te leiden en ook in eerste aanleg ter sprake zijn geweest.

3.7. Daarom heeft het Hof zonder gehouden te zijn ter terechtzitting mededeling te doen omtrent zijn waarneming die waarneming zonder schending van enige rechtsregel tot het bewijs kunnen bezigen (vgl. HR 18 februari 1992, LJN AD 1610

NJ 1993, 28).

3.8. Het middel faalt.

4. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Beoordeling van het eerste middel

5.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

5.2. Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vier jaren.

6. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze drie jaren en tien maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, J.W. Ilsink, J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 15 december 2009.