Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BJ1843

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-11-2009
Datum publicatie
20-11-2009
Zaaknummer
08/01919
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BJ1843
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 25 Belastingverdrag Nederland-Italië. Non-discriminatie. Wederkerigheid. Italiaan met tweede woning in Nederland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009/2577 met annotatie van Fijen
FutD 2009-2503
BNB 2010/39
V-N 2009/61.11

Uitspraak

Nr. 08/01919

20 november 2009

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z, Italië (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank te Breda van 25 maart 2008, nr. AWB 07/773, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende is voor het jaar 2003 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

De Rechtbank heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 18 juni 2009 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende heeft de Italiaanse nationaliteit, woont in Italië en heeft daar een woning die hem dient tot hoofdverblijf. Sinds 1990 is belanghebbende eigenaar van een onroerende zaak in Nederland (hierna: de onroerende zaak).

3.1.2. De Inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2003 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in Nederland als bedoeld in artikel 7.7 van de Wet IB 2001 ter zake van de eigendom van de onroerende zaak.

3.2. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de aanslag niet is opgelegd in strijd met de artikelen 6 en 25 van het Belastingverdrag Nederland-Italië van 8 mei 1990 (hierna: het Verdrag). Tegen dit oordeel richten zich de klachten.

3.3.1. Ingevolge artikel 25, lid 1, van het Verdrag wordt een onderdaan van Italië in Nederland niet aan enige belastingheffing of daarmede verband houdende verplichting onderworpen, die anders of zwaarder is dan de belastingheffing en daarmede verband houdende verplichtingen, waaraan onderdanen van Nederland onder dezelfde omstandigheden zijn of kunnen worden onderworpen.

3.3.2. Een onderdaan van Nederland zou in omstandigheden als die van belanghebbende - te weten een woning die hem dient tot hoofdverblijf in Italië en een tweede woning in Nederland - op dezelfde wijze in de Nederlandse belastingheffing worden betrokken als belanghebbende. Van discriminatie naar nationaliteit is derhalve geen sprake.

3.3.3. Artikel 25, lid 1, van het Verdrag ziet slechts op (bepaalde) verschillen in behandeling bij de belastingheffing door eenzelfde verdragsluitende Staat. Noch de verwijzing in deze bepaling naar het wederkerigheidsbeginsel, noch enige andere rechtsregel brengt mede dat Nederland en Italië over en weer gelijke belastingtarieven zouden moeten hanteren voor tweede woningen op hun grondgebied. Voor zover de klachten uitgaan van een andere opvatting, falen zij.

3.4. De klachten kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, A.H.T. Heisterkamp en M.W.C. Feteris, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2009.