Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BJ1245

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-09-2009
Datum publicatie
25-09-2009
Zaaknummer
07/12951
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BJ1245
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2007:BA7808, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

WAM. Procesrecht. Nederlands Bureau der Motorrijtuigverzekeraars niet met grief opgekomen tegen oordeel rechtbank dat bij een gebeurtenis met meer benadeelden alle benadeelden hun op art. 25 lid 4 WAM gebaseerde vordering moeten richten tot degene die als eerste door één van die benadeelden is aangesproken en die daarom ook de vorderingen van alle benadeelden moet afwikkelen.

Wetsverwijzingen
Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen 25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 1101
RAV 2009, 108
VR 2010, 68
NJB 2009, 1727
Module Verkeer 2009/151
JA 2009/167
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

25 september 2009

Eerste Kamer

07/12951

EV/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

NEDERLANDS BUREAU DER MOTORRIJTUIGVERZEKERAARS,

gevestigd te 's-Gravenhage,

EISERES tot cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. M.J. Schenck, thans mr. R.A.A. Duk,

t e g e n

1. [Verweerster 1], optredend zowel voor zichzelf als voor haar drie minderjarige kinderen:

- [betrokkene 1],

- [betrokkene 2],

- [betrokkene 3],

allen wonende te [woonplaats], België,

2. [Verweerder 2]

wonende te [woonplaats], België,

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als het Nederlands Bureau, [verweerster 1] en [verweerder 2].

1. Het geding in feitelijke instanties

[Verweerster 1] en [verweerder 2] (hierna: [verweerder] c.s.) hebben bij exploot van 7 juni 2002 de Stichting Waarborgfonds Motorverkeer, het Nederlands Bureau en Hannover International Insurance (Nederland) N.V. gedagvaard voor de rechtbank 's-Hertogenbosch en, na wijziging van eis gevorderd, kort gezegd, gedaagden in eerste aanleg te veroordelen tot vergoeding van de schade als gevolg van het ongeval op 8 juni 1999, op te maken bij staat. De vordering van [verweerder] c.s. richt zich primair tot de gedaagde die als eerst aangesprokene geldt in de zin van art. 25 lid 4 WAM en subsidiair tot de gedaagde die werkelijk aansprakelijk is.

De gedaagden in eerste aanleg hebben de vordering bestreden.

De rechtbank heeft, na een tussenvonnis van 23 juni 2004, bij eindvonnis van 23 februari 2005 het Nederlands Bureau veroordeeld tot vergoeding aan [verweerster 1] van alle schade van [verweerster 1] en haar drie minderjarige kinderen terzake het derven van levensonderhoud als gevolg van het overlijden van [betrokkene 4] en terzake de kosten van lijkbezorging, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, het Nederlands Bureau veroordeeld tot vergoeding aan [verweerder 2] van alle schade van [verweerder 2] als gevolg van letsel dat hij bij het ongeval van 8 juni 1999 heeft opgelopen, en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Tegen deze vonnissen heeft het Nederlands Bureau hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Bij arrest van 12 juni 2007 heeft het hof het Nederlands Bureau niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep tegen het tussenvonnis van 23 juni 2004 en het eindvonnis van 23 februari 2005 bekrachtigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft het Nederlands Bureau beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van het Nederlands Bureau heeft bij brief van 10 juli 2009 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Op 8 juni 1999 heeft op de A2 in Liempde, gemeente Boxtel, een ernstig verkeersongeval plaatsgevonden. Bij dit ongeval raakte [verweerder 2] gewond en overleed [betrokkene 4], echtgenoot van [verweerster 1] en vader van hun drie minderjarige kinderen.

(ii) [Verweerder 2] en [betrokkene 4] zaten als passagier in een Toyota personenauto die eigendom was van de Duitse vennootschap Avis Autovermietung. De burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de bestuurder van deze auto was verzekerd bij de Duitse verzekeraar Generali Lloyd Versicherungs AG (hierna: Generali).

In deze procedure is in plaats van Generali het Nederlands Bureau gedagvaard, dat op de voet van art. 2 lid 6 WAM de verplichting op zich heeft genomen schade veroorzaakt door buitenlandse voertuigen overeenkomstig de bepalingen van de WAM te vergoeden.

(iii) Bij het ongeval was verder betrokken een vrachtauto, die ingevolge de WAM was verzekerd bij Hannover International Insurance (Nederland) N.V.

De Toyota reed links van de vrachtauto, is daarmee in botsing gekomen en vervolgens over de kop geslagen.

(iv) De politie heeft het ongeval onderzocht, maar heeft de exacte toedracht niet kunnen achterhalen. De conclusie van de politie was dat er twee mogelijke oorzaken van de botsing waren (dan wel een combinatie daarvan), maar dat er geen bewijzen waren om deze oorzaken te staven: ofwel de bestuurder van de vrachtauto is naar links uitgeweken, ofwel de bestuurder van de Toyota is in slaap gevallen en naar rechts uitgeweken.

(v) Bij brief van 15 februari 2000 heeft de Association d'Assurance contre les Accidents (Service des actions récursoires) te Luxemburg zich tot Generali gewend. Deze brief betreft [verweerder 2] en het ongeval op 8 juni 1999, waarbij deze "Sozialversicherte(r)" gewond raakte. Hierin wordt onder meer het volgende vermeld:

"Da es sich hier um einen Unfall handelt, der nach den bestehenden gesetzlichen Bestimmungen als ersatzpflichtig anerkannt und infolgedessen zu entschädigen ist, sind wir berechtigt, aufgrund obengenannter Bestimmungen Ersatz zu fordern für die Aufwendungen, die uns aus obigem Unfallereignis entstanden sind.

Den genauen betrag unserer Auslagen werden wir Ihnen zu gegebener Zeit mitteilen."

3.2.1 De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 23 juni 2004, na verwerping van een aantal thans niet meer van belang zijnde verweren, nadere inlichtingen gevraagd, onder meer over de, zoals de rechtbank het in rov. 2.4 van het eindvonnis van 23 februari 2005 formuleerde "nog aan de orde zijnde vraag, of een benadeelde zijn op art. 25 lid 4 WAM gebaseerde vordering dient te richten tot degene die hij zelf als eerste heeft aangesproken, dan wel tot degene die als eerste door één van de benadeelden is aangesproken en daarna ook de vorderingen van alle andere benadeelden moet afwikkelen". In rov. 2.5 van het eindvonnis overwoog de rechtbank dat op basis van een redelijke uitleg van de wet mede in het licht van het stelsel van de WAM en de strekking van de derde EG-richtlijn, deze vraag in laatstbedoelde zin moet worden beantwoord. In rov. 2.6 overwoog de rechtbank vervolgens:

"Uit het voorgaande volgt dat het Nederlands Bureau jegens zowel [verweerster 1] als [verweerder 2] als eerst aangesprokene geldt, omdat de in Luxemburg gevestigde sociale verzekeraar als eerste van alle door het ongeval van 8 juni 1999 getroffen benadeelden actie heeft ondernomen door bij brief van 15 februari 2000 de door het Nederlands Bureau vertegenwoordigde buitenlandse verzekeraar Generali aan te spreken. De primaire vorderingen van [verweerster 1] en [verweerder 2] jegens het Nederlands Bureau tot vergoeding van bij staat op te maken schade zijn daarom toewijsbaar. Aan de subsidiaire vorderingen tegen de andere gedaagden komt de rechtbank niet toe."

3.2.2 Het Nederlands Bureau heeft in hoger beroep één grief voorgesteld, luidende als volgt:

"Ten onrechte heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch in haar vonnis van 23 februari 2005 onder 2.6 geoordeeld dat het Nederlands Bureau zowel jegens [verweerster 1] als jegens [verweerder 2] als eerst aangesprokene geldt, omdat de in Luxemburg gevestigde sociale verzekeraar als eerste van alle door het ongeval op 8 juni 1999 getroffen benadeelden actie heeft ondernomen door bij brief van 15 februari 2000 de door het Nederlands Bureau vertegenwoordigde buitenlandse verzekeraar Generali aan te spreken."

3.2.3 In aanmerking genomen dat de grief zich richtte tegen rov. 2.6 en niet (mede) tegen rov. 2.4 en 2.5 van het eindvonnis van de rechtbank, en gelet op de toelichting op deze grief, zoals samengevat in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.6, alsmede op het geheel ontbreken in de memorie van grieven van enige verwijzing of argumentatie betreffende de door de rechtbank aanvaarde wetsuitleg ten aanzien van art. 25 lid 4 WAM (het middel noemt ook geen stellingen noch de vindplaats daarvan in de gedingstukken), kan de conclusie geen andere zijn dan dat het Nederlands Bureau in hoger beroep niet is opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat bij een gebeurtenis met meer benadeelden alle benadeelden hun op art. 25 lid 4 WAM gebaseerde vordering dienen te richten tot degene die als eerste door één van de benadeelden is aangesproken en die daarom ook de vorderingen van alle andere benadeelden moet afwikkelen. Het Nederlands Bureau bestreed slechts dat het op basis van de in 3.1 (v) vermelde brief als eerst aangesprokene kon gelden, maar keerde zich niet tegen de vermelde uitleg van art. 25 lid 4 WAM. Waar tegen het oordeel van de rechtbank dienaangaande geen voldoende kenbare grief was gericht, lag de uitleg van art. 25 lid 4 WAM buiten de rechtsstrijd van partijen. Het hof is daarom terecht uitgegaan van de juistheid van dat oordeel.

3.2.4 Het voorgaande brengt mee dat de onderdelen 1 en 3 die berusten op het uitgangspunt dat in de appelgrieven van het Nederlands Bureau wèl een grief tegen rov. 2.5 van het eindvonnis van de rechtbank lag besloten, niet tot cassatie kunnen leiden.

3.2.5 Ook onderdeel 2, waarin het Nederlands Bureau alsnog beschouwingen wijdt aan de in hoger beroep niet bestreden uitleg van art. 25 lid 4 WAM, kan op grond van het voorgaande niet tot cassatie leiden.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt het Nederlands Bureau in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] c.s. begroot op € 371,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A. Hammerstein, W.A.M. van Schendel, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 25 september 2009.