Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BJ0652

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-10-2009
Datum publicatie
09-10-2009
Zaaknummer
08/00243
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BJ0652
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Verstek. Verzet tijdig ingesteld? Daad van bekendheid. Maatstaf. Veroordeelde waaraan het vonnis niet in persoon is betekend moet zelf een handeling hebben verricht waaruit ondubbelzinnig valt op te maken dat hij over voldoende gegevens beschikte m.b.t. zijn veroordeling om zich daartegen tijdig en adequaat te kunnen verzetten.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 143, geldigheid: 2009-10-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2010/4 met annotatie van mw. mr. I.P.M. van den Nieuwendijk
NJ 2009, 491
RvdW 2009, 1160
NJB 2009, 1866
JWB 2009/370

Uitspraak

9 oktober 2009

Eerste Kamer

08/00243

DV/TT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres],

wonende te [woonplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen,

t e g e n

FINANCIERINGSMAATSCHAPPIJ MAHUKO N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en Mahuko.

1. Het geding in feitelijke instanties

Bij vonnis van 15 mei 1986 van de rechtbank Alkmaar is [eiseres], samen met haar echtgenoot [betrokkene 1], bij verstek hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een bedrag van ƒ 12.722,66, met rente en kosten, aan de rechtspersoon naar vreemd recht Citibank N.A., zijnde de rechtsvoorgangster van Mahuko.

[Eiseres] heeft bij exploot van 11 juli 2005 verzet gedaan tegen voormeld verstekvonnis en gevorderd, kort gezegd, haar te ontheffen van de veroordeling tegen haar uitgesproken door de rechtbank Alkmaar op 15 mei 1986 tussen de rechtsvoorganger van Mahuko als eiseres en [eiseres] als gedaagde. Daarnaast heeft [eiseres] gevorderd dat de eis van Mahuko alsnog wordt afgewezen.

Mahuko heeft de vordering bestreden.

Na mondelinge behandeling heeft de rechtbank bij vonnis van 8 maart 2006 [eiseres] niet-ontvankelijk verklaard in haar verzet.

Tegen dit vonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.

Bij arrest van 23 augustus 2007 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen Mahuko is verstek verleend.

De zaak is voor [eiseres] toegelicht door haar advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot vernietiging, met verdere afdoening als gebruikelijk.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 Het gaat in deze zaak om de beantwoording van de vraag of [eiseres] tijdig verzet heeft gedaan tegen haar veroordeling bij verstek in het hiervoor in 1 vermelde vonnis van 15 mei 1986. Het hof heeft deze vraag aan de hand van art. 143 Rv. ontkennend beantwoord. Op de grond vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 7 had het hof art. 81 (oud) Rv. behoren toe te passen, doch hierover wordt in cassatie niet geklaagd. Voor de beoordeling van de aan de orde zijnde vraag maakt het in dit geval ook geen verschil of de oude dan wel de nieuwe bepaling wordt toegepast.

3.2 Nu het vonnis niet aan [eiseres] in persoon was betekend, geldt als maatstaf (zowel in art. 81 oud als in art. 143) of de veroordeelde enige daad heeft gepleegd "waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging aan hem bekend is". Deze maatstaf houdt in dat de veroordeelde zelf een handeling moet hebben verricht waaruit ondubbelzinnig valt op te maken dat hij over voldoende gegevens met betrekking tot (de inhoud van) zijn veroordeling beschikt om zich daartegen tijdig en adequaat te kunnen verzetten. Het hof heeft deze maatstaf gehanteerd in zijn rov. 3.3 en 3.4.

3.3 De door het hof in rov. 3.5 tot en met 3.12 vermelde omstandigheden laten niet de conclusie tot dat [eiseres] een handeling als hiervoor in 3.2 bedoeld heeft verricht. Daartoe wordt het navolgende overwogen.

(i) Het feit dat [eiseres] een brief van 30 maart 2005 van deurwaarderskantoor [A] heeft ontvangen en daarop heeft gereageerd, levert geen daad van bekendheid op. [eiseres] heeft ontkend dat een kopie van het vonnis bij de brief was ingesloten en het hof heeft de juistheid van deze stelling in het midden gelaten.

(ii) In deze brief is weliswaar melding gemaakt van het vonnis en van de daarin mede jegens [eiseres] uitgesproken veroordeling, doch het enkele feit dat [eiseres] op deze brief heeft gereageerd levert geen daad van bekendheid op waaruit noodzakelijkerwijs voortvloeit dat zij voldoende bekend is met de inhoud van het vonnis. In tegenstelling tot wat het hof in rov. 3.6 heeft overwogen, blijkt uit de reactie van [eiseres] niet dat zij over voldoende gegevens beschikte om zich daadwerkelijk tegen het verstekvonnis te verzetten. De door het hof in rov. 3.1 vermelde inhoud van haar brief van 3 mei 2005 komt erop neer dat [eiseres] meende dat er geen gegevens voorhanden waren waaruit kon blijken dat zij aansprakelijk is voor de vordering.

(iii) Door het hof is in rov. 3.10 vastgesteld dat uit de brief van 30 maart 2005 niet viel op te maken dat de vordering van Citibank is overgegaan op de MNF Bank. Volgens het hof kan uit de contacten tussen [eiseres] en [A] op 8 april 2005, waarvan blijkt uit de brieven van 13 april 2005 en 3 mei 2005 waarin [eiseres] spreekt van "deze lening", worden afgeleid dat deze rechtsovergang geen onduidelijkheid schiep. Zondere nadere, ontbrekende, toelichting valt evenwel niet in te zien op grond waarvan noodzakelijkerwijs blijkt dat [eiseres] wist dat het om een lening van Citibank zou gaan, nu iedere verwijzing naar deze bank in de door het hof bedoelde stukken ontbreekt. In het bijzonder is niet begrijpelijk hoe uit de reactie van [eiseres] die, naar het hof heeft vastgesteld, juist uitdrukkelijk ontkende iets aan de MNF Bank verschuldigd te zijn, valt af te leiden dat zij begreep dat het oorspronkelijk om een lening van Citibank ging.

3.4 De hierop gerichte klachten van onderdeel II treffen doel. Onderdeel I faalt op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 18. De overige klachten behoeven geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 23 augustus 2007;

verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het gerechtshof te Leeuwarden;

veroordeelt Mahuko in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 3.254,31,-- in totaal, waarvan € 3.179,31 op de voet van art. 243 Rv. te betalen aan de Griffier, en € 75,00 aan [eiseres].

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A. Hammerstein, W.A.M. van Schendel en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.A.M. van Schendel op 9 oktober 2009.