Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BI9632

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-10-2009
Datum publicatie
23-10-2009
Zaaknummer
08/00118
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BI9632
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Internationaal privaatrecht. Immuniteit van jurisdictie van internationale organisatie (Europese Octrooi Organisatie) in arbeidsgeschil voor Nederlandse rechter. Geschillen die onmiddellijk verband houden met de vervulling van de aan de internationale organisatie opgedragen taken (maatstaf). Vraag of interne rechtsgang binnen de internationale organisatie voldoet aan art. 6 EVRM (recht op openbare hoorzitting).

Wetsverwijzingen
Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (Europees Octrooiverdrag), München, 05-10-1973, geldigheid: 2009-10-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2009/287
NJ 2009, 527
RvdW 2009, 1220
RAR 2010, 2
JAR 2009, 287
NJB 2009, 1999
JWB 2009/393

Uitspraak

23 oktober 2009

Eerste Kamer

08/00118

DV/IS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. J.A.M.A. Sluysmans,

t e g e n

de rechtspersoon naar internationaal recht EUROPESE OCTROOI ORGANISATIE,

gevestigd te München (Duitsland), alsmede te Rijswijk,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. M. Ynzonides, thans mr. R.A.A. Duk.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en EOO.

1. Het geding in feitelijke instanties

[Eiser] heeft bij exploot van 13 januari 2006 EOO gedagvaard voor de rechtbank 's-Gravenhage, sector kanton, en gevorderd, kort gezegd, voor recht te verklaren dat EOO aansprakelijk is voor de schade die [eiser] heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden in dienst van EOO en EOO te veroordelen tot betaling van de door [eiser] geleden en nog te lijden (immateriële) schade, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 juli 2003.

EOO heeft bij incidentele vordering een exceptie van onbevoegdheid opgeworpen.

[Eiser] heeft de incidentele vordering bestreden.

De kantonrechter heeft bij vonnis van 3 augustus 2006 verklaard dat de Nederlandse rechter in de hoofdzaak geen rechtsmacht heeft.

Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.

Na mondelinge behandeling heeft het hof bij arrest van 28 september 2007 het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

EOO heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiser] is, laatstelijk in de functie van patentonderzoeker, werkzaam geweest voor het Europees Octrooibureau. Het Europees Octrooibureau is een orgaan van de EOO. Het is gevestigd in (onder andere) Rijswijk - van waaruit [eiser] zijn werkzaamheden verrichtte - en heeft een hoofdkantoor in München (Duitsland).

(ii) Op de arbeidsovereenkomst van [eiser] zijn van toepassing de Service Regulations for Permanent Employees (hierna: het Ambtenarenreglement).

Het Ambtenarenreglement voorziet onder meer in een arbeidsongeschiktheidsregeling in de vorm van een invaliditeitspensioen.

(iii) Op 1 februari 1998 is [eiser] wegens RSI-klachten uitgevallen voor zijn werk. Sinds 24 mei 2002 is hij vanwege die klachten volledig en definitief arbeidsongeschikt. In verband met die arbeidsongeschiktheid is [eiser] niet meer in dienst bij het Europees Octrooibureau. [Eiser] heeft van de EOO een financiële genoegdoening ontvangen van € 254.082,18. [Eiser] ontvangt tevens een invaliditeitspensioen.

(iv) Op de EOO zijn onder andere van toepassing het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien van 5 oktober 1974, Trb. 1976, 101 (hierna: het Verdrag) en het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten van de Europese Octrooiorganisatie van 5 oktober 1973, Trb. 1976, 101 (hierna: het PPI).

(v) Op grond van art. 13 van het Verdrag kan (voormalig) personeel van de EOO, in geval van geschillen met de EOO, deze voorleggen aan het Administrative Tribunal van de Internationale Arbeidsorganisatie (hierna: het Ambtenarengerecht). Dit beroep is slechts ontvankelijk indien de belanghebbende alle rechtsmiddelen heeft uitgeput die hem ter beschikking staan krachtens het Ambtenarenreglement, het Pensioenreglement of de arbeidsvoorwaarden voor ander personeel.

(vi) Bij brief van zijn gemachtigde van 28 oktober 2003 heeft [eiser] het Europees Octrooibureau aansprakelijk gesteld voor zijn (immateriële) schade verband houdende met zijn RSI-klachten. Daarop is namens het Europees Octrooibureau bij brief van 13 januari 2004 aan de gemachtigde van [eiser] medegedeeld dat het Ambtenarenreglement en de Pension Scheme Regulations van het Europees Octrooibureau in het geval van [eiser] correct zijn toegepast, waarbij voorts is gewezen op de in de genoemde regelingen opgenomen mogelijkheid van beroep bij het Ambtenarengerecht nadat interne beroepsmogelijkheden zijn uitgeput.

(vii) Hierna is nog enige correspondentie gevolgd, waarbij de EOO aansprakelijkheid heeft afgewezen en de zaak in behandeling heeft gegeven bij het Intern Appeal Committee (hierna: het Beroepscomité).

(viii) Op 30 april 2007 oordeelde het Beroepscomité unaniem dat het beroep van [eiser] moet worden afgewezen.

3.2 [Eiser] vordert in dit geding een verklaring voor recht dat de EOO jegens hem aansprakelijk is voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van de uitoefening van werkzaamheden in dienst van de EOO, en veroordeling van de EOO tot betaling aan hem van de aldus geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

De EOO heeft zich met een beroep op art. 8 van het Verdrag en art. 3 van het PPI beroepen op immuniteit van jurisdictie, en heeft aangevoerd dat in art. 13 van het Verdrag een exclusieve rechtsgang is aangewezen voor geschillen tussen de EOO en haar (ex-)werknemers, zoals [eiser]. De kantonrechter heeft dat verweer aanvaard en heeft verklaard dat de Nederlandse rechter in deze zaak geen rechtsmacht heeft. Het vonnis is door het hof bekrachtigd. Kort samengevat, heeft het hof overwogen dat de EOO zich in beginsel terecht op een uitzondering op de rechtsmacht van de Nederlandse rechter beroept nu het geschil tussen [eiser] en de EOO op basis van de toepasselijke regelgeving onder de immuniteit van jurisdictie ten behoeve van internationale organisaties valt (rov. 3.2 - 3.4), en dat geen aanleiding bestaat voor een uitzondering daarop op de grond dat aan [eiser] de toegang zou worden onthouden tot een procedure die een aan art. 6 EVRM gelijkwaardige bescherming biedt, nu niet gebleken is dat de procedure voor het Ambtenarengerecht niet voldoet aan de door art. 6 EVRM gestelde eisen (rov. 3.5 - 3.17).

3.3 Onderdeel A van het middel komt op tegen het oordeel van het hof dat tot de geschillen welke onmiddellijk verband houden met de vervulling van de taken van de internationale organisatie, naar vaste jurisprudentie in elk geval die arbeidsgeschillen behoren welke kunnen rijzen tussen de organisatie en diegenen die in haar dienst werkzaamheden verrichten die noodzakelijk zijn voor de vervulling van haar taak. Volgens het hof is het feit dat de vordering van [eiser] is gestoeld op een aansprakelijkheid van de EOO die voortvloeit uit de voormalige dienstbetrekking tussen haar en [eiser], voldoende voor een terecht beroep op immuniteit van de EOO. [Eiser] droeg immers, overeenkomstig HR 20 december 1985, nr. 12627, LJN AC9158, NJ 1986, 438, in zijn functie van patentonderzoeker onmiskenbaar bij aan de vervulling van de taken van de EOO. (rov. 3.4)

De klacht van het onderdeel dat het hof een te enge uitleg heeft gegeven aan de grondslag van [eiser]s vordering faalt, omdat de uitleg van de gedingstukken aan het hof als feitenrechter is voorbehouden, en die uitleg in cassatie niet op juistheid kan worden onderzocht.

In het licht van de gedingstukken is het oordeel van het hof dat de vordering van [eiser] stoelt op een aansprakelijkheid uit zijn voormalige dienstbetrekking met de EOO, niet onbegrijpelijk.

Ook de klacht dat het hof een te ruime interpretatie van het begrip "arbeidsgeschil" zoals bedoeld in voormeld arrest van de Hoge Raad heeft gegeven, is ongegrond. Anders dan deze klacht tot uitgangspunt neemt, is niet (pas) sprake van een arbeidsgeschil ter zake waarvan een internationale organisatie zich kan beroepen op immuniteit, indien een procedure daarover het officiële functioneren van de organisatie belemmert. Het gaat immers erom of de aan de internationale organisatie verweten gedragingen onmiddellijk verband houden met de vervulling van de aan die organisatie opgedragen taken (vgl. HR 13 november 2007, nr. S01984/07, LJN BA9173, NJ 2008, 147) Het hof is derhalve terecht van die maatstaf uitgegaan.

Het onderdeel faalt.

3.4 Onderdeel B kan, op de gronden als vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 21-22, niet tot cassatie leiden.

3.5 Onderdeel D is gericht tegen de verwerping door het hof van de stelling van [eiser] dat de procedure voor het Ambtenarengerecht niet voldoet aan de eisen van art. 6 EVRM omdat door dat gerecht in de praktijk het recht op een mondelinge behandeling stelselmatig aan partijen wordt ontzegd. Het hof overwoog daartoe dat het uit art. 6 EVRM volgende recht op een (openbare) hoorzitting niet absoluut is en dat op dit recht een uitzondering kan worden gemaakt, bijvoorbeeld als de schriftelijke processtukken de rechter in staat stellen een oordeel te geven over de aan hem voorgelegde zaak, waarbij ook de voorafgaande interne procedure een rol speelt. Weliswaar heeft [eiser] gesteld dat het Ambtenarengerecht verzoeken om een openbare hoorzitting pleegt af te wijzen, maar hij heeft niet gesteld dat het hierbij ging om gemotiveerde verzoeken om een hoorzitting in zaken waarin een hoorzitting wel geïndiceerd was, terwijl dat ook anderszins niet is gebleken. Op deze gronden kan volgens het hof niet geoordeeld worden dat de procedure voor het Ambtenarengerecht geen aan art. 6 EVRM vergelijkbare bescherming biedt. Bovendien staat op voorhand niet vast dat [eiser] - indien hij daarom gemotiveerd verzoekt - niet door het Ambtenarengerecht zal worden gehoord. (rov. 3.12)

Het onderdeel voert aan dat dit oordeel onbegrijpelijk is in het licht van [eiser]s stelling dat in de meer dan 2200 zaken die sinds 1992 door het Ambtenarengerecht zijn behandeld, slechts eenmaal tot een mondelinge behandeling is besloten. De klacht faalt, omdat het hof kennelijk heeft geoordeeld dat deze stelling slechts dan kan leiden tot de conclusie dat de procedure voor het Ambtenarengerecht niet voldoet aan de eisen van een behoorlijke rechtspleging, indien zou blijken dat het Ambtenarengerecht gemotiveerde verzoeken om een hoorzitting in zaken waarin wel een hoorzitting geïndiceerd was, pleegt af te wijzen, maar dat zulks niet is gesteld noch gebleken. Dat het hof de bedoelde stelling van [eiser] op deze gronden heeft gepasseerd, is niet onbegrijpelijk.

3.6 De in de onderdelen C en E aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de EOO begroot op € 371,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren E.J. Numann, J.C. van Oven, W.A.M. van Schendel en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 23 oktober 2009.