Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BI7304

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-09-2009
Datum publicatie
15-09-2009
Zaaknummer
07/13065 E
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BI7304
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 9 Flora- en Fauna Wet (Ffw). Art. 65 Ffw: vrijstelling verbod art. 9 Ffw; ingeval verdachte is aan te merken als grondgebruiker in de zin van art. 1.1 Ffw. Aanneming van werk of pachtovereenkomst (grondgebruiker)? Het oordeel van het Hof dat het beheer van de eendenkooi door verdachte geschiedde o.b.v. een overeenkomst tot het aannemen van werk is gelet op hetgeen ter terechtzitting in hb door en namens de verdachte is aangevoerd, niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 1066
Module Pacht en landelijk gebied 2009/45
Milieurecht Totaal 2009/1836
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 september 2009

Strafkamer

nr. 07/13065 E

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden, Economische Kamer, van 22 juni 2007, nummer 24/000850-06, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1936, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B. Korvemaker, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad zal constateren dat de redelijke termijn is overschreden en tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt over de verwerping door het Hof van het verweer strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging, en klaagt daarbij in het bijzonder over de vaststelling van het Hof dat sprake was van aanneming van werk in plaats van een pachtovereenkomst ondanks hetgeen door en namens de verdachte terzake naar voren is gebracht.

2.2. In de conclusie van de Advocaat-Generaal zijn de bewezenverklaring, de verwerping van het verweer en de relevante wettelijke bepalingen weergegeven.

2.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende in:

"(...)

Verdachte verklaart, zakelijk weergegeven:

Ik ben lid van de jagersvereniging KNJV. In het verenigingsblad van de KNJV was vermeld dat zwarte kraaien gevangen mochten worden. Op grond van die informatie heb ik een vangkooi geplaatst.

Ik ben kooiker. Ik houd de kooi die mijn vader vroeger hield. Daarvoor was ik in dienst van Staatsbosbeheer. De eendenkooi is eigendom van Staatsbosbeheer. Sinds de jaren negentig behoort het houden van de kooien niet meer tot de kerntaak van Staatsbosbeheer. Namens Staatsbosbeheer is mij meegedeeld dat ik de kooi mocht onderhouden. Het houden van de kooi is mijn hobby.

Op 1 januari 1993 heb ik met Staatsbosbeheer een overeenkomst afgesloten. Ik ontvang geld van Staatsbosbeheer ten behoeve van onderhoudswerkzaamheden aan de kooi. De gevangen eenden mag ik zelf houden.

De raadsman vult aan, zakelijk weergegeven:

De overeenkomst met Staatsbosbeheer was gesloten voor de duur van tien jaren en is daarna stilzwijgend verlengd. Het betreft een 'overeenkomst tot aanneming van werk'. Verdachte is gebruiker van de kooi. (...)"

2.4. Het middel faalt omdat het oordeel van het Hof dat het beheer van de eendenkooi door de verdachte geschiedde op basis van een overeenkomst tot het aannemen van werk, gelet op hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep door en namens de verdachte is aangevoerd, niet onbegrijpelijk is.

2.5. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke geldboete van tweehonderd euro, subsidiair vier dagen hechtenis, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 15 september 2009.