Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BI7213

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-10-2009
Datum publicatie
09-10-2009
Zaaknummer
08/00716
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BI7213
In cassatie op : ECLI:NL:GHLEE:2007:BC1153, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Art. 3.8 Wet IB 2001. Het oordeel dat het deel van een geldlening dat is opgenomen voor het aflossen van zakelijke schulden waarvan niet aannemelijk is dat ten tijde van de staking van de onderneming onzekerheid bestond over de hoogte en de wijze van afwikkeling, bij het staken van de onderneming naar het privévermogen is overgegaan, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009, 2134 met annotatie van Ligthart
FutD 2009-2152
BNB 2009/311
FED 2009/106
Belastingadvies 2009/21.5
V-N 2009/49.18
Vp-bulletin 2009, 64

Uitspraak

Nr. 08/00716

9 oktober 2009

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 28 december 2007, nr. BK 163/06, betreffende een beschikking als bedoeld in artikel 3.153, lid 1, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

1. Het geding in feitelijke instanties

De Inspecteur heeft het door hem vastgestelde verlies van belanghebbende over voorgaande jaren bij beschikking van 11 december 2003 verrekend met het inkomen van belanghebbende over het jaar 2002. De beschikking is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

De Rechtbank te Leeuwarden (nr. AWB 06/1158) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 28 mei 2009 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende is in maart 1995 een onderneming begonnen. De activiteiten van deze in de vorm van een eenmanszaak uitgeoefende onderneming bestonden uit het produceren van geïllustreerd drukwerk en het verkopen van advertenties die in dat drukwerk werden opgenomen.

3.1.2. Vanwege de slechte resultaten uit de onderneming heeft belanghebbende zijn onderneming medio 1998, althans ultimo 1998, gestaakt. Daarbij zijn de activa overgegaan naar belanghebbendes privévermogen.

3.1.3. Belanghebbende heeft in de loop van het jaar 1998 met alle toen bekende zakelijke crediteuren een akkoord gesloten. Op grond hiervan heeft hij een aantal crediteuren geheel betaald en een aantal gedeeltelijk.

3.1.4. Op 30 september 1998 heeft belanghebbende een hypothecaire geldlening (hierna: de geldlening) afgesloten bij de SNS-bank, ten bedrage van in totaal ƒ 450.000. Hierbij heeft belanghebbende aan de SNS-bank het recht van hypotheek verleend op zijn tot zijn privévermogen behorende woning. Bij het verkrijgen van de geldlening hebben twee partijen zich borg gesteld.

3.1.5. De uit de geldlening verkregen gelden heeft belanghebbende voor een bedrag van ƒ 129.000 aangewend voor het aflossen van een hypothecaire geldlening die hij was aangegaan ter financiering van zijn woning, voor een bedrag van ƒ 250.000 voor het aflossen van zijn zakelijke rekening-courantschuld bij de ABN AMRO-bank en voor een bedrag van ƒ 71.000 voor het betalen van zijn zakelijke crediteuren op grond van het hiervoor in 3.1.3 genoemde akkoord.

3.1.6. In zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2002 heeft belanghebbende een bedrag van € 5383 van de rente over de geldlening aangegeven als negatief resultaat uit overige werkzaamheden, omdat de geldlening zijns inziens voor een deel is aangegaan ten behoeve van zijn onderneming en onlosmakelijk daarmee is verbonden. De Inspecteur heeft de aftrek geweigerd.

3.2. Voor het Hof was in geschil of een bedrag van € 5383 ter zake van de rente over een deel van de geldlening kan worden aangemerkt als (nagekomen) verlies uit onderneming.

3.3. Het Hof heeft vooropgesteld dat bij de staking van een onderneming in het algemeen heeft te gelden dat een tot het ondernemingsvermogen behorend vermogensbestanddeel, dat niet wordt overgedragen aan een derde, naar het privévermogen wordt overgebracht. Het Hof heeft geoordeeld dat het deel van de geldlening dat is opgenomen voor het aflossen van het zakelijke krediet en voor het betalen van de zakelijke crediteuren ten tijde van de staking van de onderneming medio 1998, althans ultimo 1998 is overgegaan naar belanghebbendes privévermogen en dat aldus dat deel van de geldlening in de plaats is gekomen van belanghebbendes zakelijke rekening-courant- en crediteurenschuld. Het Hof heeft aan dat oordeel ten grondslag gelegd dat belanghebbende geenszins aannemelijk heeft gemaakt dat ten tijde van de staking van de onderneming onzekerheid bestond over de hoogte en de wijze van afwikkeling van dat deel van de geldlening. De rente over het deel van de geldlening kan naar het oordeel van het Hof derhalve niet als (nagekomen) kosten ter zake van belanghebbendes onderneming worden aangemerkt. Het Hof heeft ten slotte geoordeeld dat aan dit oordeel niet afdoet dat twee partijen zich in 1998 borg hebben gesteld bij het verkrijgen van de geldlening.

3.4. De klacht die inhoudt dat het feit dat de lening is aangegaan voor de betaling van zakelijke crediteuren al voldoende is om de lening aan te merken als ondernemingsvermogen, faalt. 's Hofs hiervoor in 3.3 weergegeven vooropstelling is juist. 's Hofs oordelen, waarbij het Hof bij zijn oordeel omtrent het al of niet bestaan van onzekerheden klaarblijkelijk het oog heeft gehad op uit de ondernemingssfeer stammende onzekerheden, geven voorts geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst (vgl. HR 17 januari 2003, nr. 36510, LJN AF2995, BNB 2003/139 en HR 14 maart 2003, nr. 37885, LJN AF5826, BNB 2003/195). Zij zijn ook niet onbegrijpelijk.

3.5. De overige klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2009.