Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BI7139

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-09-2009
Datum publicatie
25-09-2009
Zaaknummer
08/01123
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BI7139
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Beschikking met in dictum voorlopige beslissing partneralimentatie; tussenbeschikking; niet-ontvankelijkheid cassatieberoep op grond van art. 401a lid 2 jo. 426 lid 4 Rv.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 401a
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 426
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2009, 119
NJ 2009, 459
RvdW 2009, 1094
NJB 2009, 1729
JWB 2009/351
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

25 september 2009

Eerste Kamer

08/01123

DV/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De man],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen,

t e g e n

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 1 juli 2005 ter griffie van de rechtbank Almelo ingediend verzoekschrift heeft de vrouw zich gewend tot die rechtbank en verzocht, kort gezegd:

- echtscheiding tussen partijen uit te spreken;

- te bevelen dat partijen overgaan tot het verdelen van de huwelijksgoederengemeenschap;

- de man te veroordelen tot een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw van € 1.500,-- per maand, maandelijks bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen.

De man heeft het verzoek tot partneralimentatie bestreden.

Na mondelinge behandeling heeft de rechtbank bij beschikking van 7 december 2005 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de partijen bevolen om, zodra de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, met elkaar over te gaan tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Voorts heeft de rechtbank het bedrag dat de man aan de vrouw zal voldoen als bijdrage in de kosten van levensonderhoud bepaald op € 1.250,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem.

Na mondelinge behandeling heeft het hof bij tussenbeschikking van 2 januari 2007 de bestreden beschikking bekrachtigd voor zover daarin echtscheiding is uitgesproken en iedere verdere beslissing aangehouden. Bij beschikking van 11 december 2007 heeft het hof de beschikking waarvan beroep vernietigd voorzover een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw is vastgesteld en, opnieuw beschikkende, bepaald dat de man met ingang van 19 april 2007 voorlopig, totdat het hof anders heeft beslist, een bedrag van € 702,-- per maand zal voldoen als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw en iedere verdere beslissing aangehouden.

De beschikking van het hof van 11 december 2007 is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof van 11 december 2007 heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vrouw heeft geen verweer gevoerd.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de man in het door hem ingestelde cassatieberoep.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

3.1I n het dictum van de bestreden beschikking heeft het hof bepaald dat de man met ingang van 19 april 2007, dit is de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven, voorlopig, totdat het hof anders heeft beslist, € 702,-- per maand zal voldoen als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking tot zover, alsmede dat de man en de vrouw zich dienen uit te laten over de door het hof vermelde kwesties, en iedere verdere beslissing aangehouden.

3.2 Een dergelijke voorlopige beslissing van de alimentatierechter kan ook na effectuering daarvan in haar gevolgen ongedaan worden gemaakt door de definitieve beslissing en heeft in zoverre dus geen onherroepelijk karakter. Met die voorlopige beslissing wordt dan ook niet omtrent enig deel van het verzochte een einde aan het geding gemaakt, zodat het gaat om een tussenbeschikking.

3.3 Ingevolge art. 401a lid 2 Rv. in verbinding met art. 426 lid 4 Rv. kan beroep in cassatie van de bestreden beschikking dus slechts tegelijk met het beroep tegen de eindbeschikking worden ingesteld, aangezien het hof niet anders heeft bepaald. De man dient dan ook in zijn beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4. Beslissing

De Hoge Raad verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn beroep. .

Deze beschikking is gegeven door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, J.C. van Oven, W.A.M. van Schendel en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 25 september 2009.