Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BI7084

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-10-2009
Datum publicatie
06-10-2009
Zaaknummer
07/12707
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BI7084
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2007:BC4796, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Gebruik lokauto door politie onrechtmatig? Vooropgesteld zij dat het plaatsen door de politie van een zogenoemde lokauto teneinde personen die inbraken in auto’s plegen op heterdaad te kunnen betrappen op zichzelf niet ongeoorloofd is, ook al steunt dit handelen niet op een specifieke wettelijke regeling (Vgl. HR NJ 2009, 224). Het oordeel van het Hof dat onder de omstandigheden van het onderhavige geval de plaatsing van de lokauto niet onrechtmatig was omdat daardoor a. verdachte niet is gebracht tot andere handelingen dan die waarop zijn opzet reeds tevoren was gericht en b. de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit niet zijn geschonden, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. De Hoge Raad neemt hierbij in aanmerking dat -naar volgt uit het verhandelde ttz- de politie i.c. niet meer heeft gedaan dan het plaatsen van een onopvallende auto met daarin een mobiele telefoon en een (dummy van een) navigatiesysteem op een plek waar veel inbraken in of uit auto’s worden gepleegd, om vervolgens af te wachten wat er met de lokauto zou gebeuren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2009, 503
RvdW 2009, 1180
NJB 2009, 1942

Uitspraak

6 oktober 2009

Strafkamer

Nr. 07/12707

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 29 juni 2007, nummer 23/003899-06, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. D.E. Wiersum, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het eerste, het tweede, het derde en het vierde middel

2.1. De middelen komen op tegen het oordeel van het Hof over het gebruik in de onderhavige zaak van een zogenoemde lokauto door de politie. Zij lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

2.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 10 maart 2006 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een personenauto, Fiat Punto, heeft weggenomen enig goed, toebehorende aan Regiopolitie Amsterdam/Amstelland, waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door met een steen een raam van die auto in te slaan."

2.3. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [verbalisant 1]:

"Ik ben namens de benadeelde, Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, gerechtigd tot het doen van aangifte. Ik doe hierbij aangifte van diefstal door middel van braak. Op 10 maart 2006 heb ik de lokauto, een personenauto, Fiat Punto, geparkeerd op de Plantage Muidergracht ter hoogte van perceel 14 te Amsterdam. Ik heb de auto onbeschadigd en afgesloten geparkeerd achter gelaten. In de auto lagen diverse goederen. In de auto was ook een navigatiesysteem van het merk Tom Tom aanwezig. Op 10 maart 2006 kreeg ik bericht van een collega met de mededeling dat de auto was opengebroken. Bij de auto aangekomen zag ik dat het raampje aan de bestuurderszijde ingeslagen was.

De zag dat er een steen op de bestuurdersstoel lag. Na onderzoek in de auto zag ik dat (het hof begrijpt op grond van het onder 4. genoemde bewijsmiddel: een "dummy van") het navigatiesysteem van het merk Tom Tom uit de auto gestolen was. Ik heb aan niemand het recht of toestemming gegeven om de auto open te breken en het navigatiesysteem weg te nemen."

b. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Ik heb zojuist een navigatie uit een auto gestolen. Met een steen had ik de ruit van de auto ingeslagen."

c. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 1], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten dan wel een van hen:

"Op 10 maart 2006 parkeerde ik, tweede verbalisant, een geprepareerde lokauto van het merk Fiat Punto, kleur grijs, op de Plantage Muidergracht te Amsterdam ter hoogte van perceel 14. Wij verbalisanten zagen een manspersoonaan komen rijden op een rode Peugeot. Ik, eerste verbalisant, zag dat de man een straatklinker in zijn handen vasthield. Ik, eerste verbalisant, zag dat de man de straatklinker achter de lokauto neergooide. Ik, eerste verbalisant, zag dat de man naar de achterzijde van de auto liep en daar de eerder genoemde neergegooide straatklinker tegen het raam van de lokauto aan gooide. Wij, verbalisanten, zagen dat de man de steen weer oppakte en nogmaals met zeer grote kracht de steen tegen het raam van de lokauto gooide. Wij, verbalisanten, zagen en hoorden dat het raam aan gruzelementen ging en dat het glas in het rond vloog. Op dat moment was het 10 maart 2006. Ik, eerste verbalisant, zag dat de man met zijn bovenlichaam door het stuk geslagen raam de auto inging en een Tom Tom navigatie systeem weg nam. De achtervolging werd overgenomen door collega's. Vervolgens hoorden wij dat de man was aangehouden. Later bleek dat de aangehouden verdachte op gaf te zijn genaamd: [verdachte]."

d. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 3], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"Op 10 maart 2006 heb ik, verbalisant, bij [verdachte] in beslag genomen:

Navigatiesysteem, "dummy", merk Tom Tom."

2.4. De bestreden uitspraak houdt met betrekking tot ter terechtzitting in hoger beroep van 15 juni 2007 gevoerde verweren het volgende in:

"De raadsman heeft bepleit dat het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren. Hij heeft daartoe onder het overleggen van pleitnotities aangevoerd dat de inzet van een zogenaamde lokauto onrechtmatig is. Deze stelling heeft de raadsman gegrond op de volgende pijlers.

1. Het plaatsen van een lokauto is steeds onrechtmatig omdat de politie de bevoegdheid daartoe mist.

2. Het gebruik van een lokauto is onrechtmatig in het zich voordoende geval waarin er geen verdachte bekend is.

3. In het onderhavige geval is het gebruik van een lokauto niet proportioneel.

4. Bij de verdachte was geen generiek opzet.

De hiervoor onder 2. tot en met 4. genoemde pijlers, bezien in onderling verband en samenhang, nopen tot de conclusie dat de verdachte ten gevolge van de inzet van de lokauto een delict heeft gepleegd, waarop zijn opzet niet reeds tevoren was gericht. Subsidiair heeft de raadsman compensatie in de vorm van strafmatiging bepleit op de voet van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, omdat het bevestigen van valse kentekenplaten op de lokauto door de politie een verzuim oplevert in de zin van die bepaling.

Op grond van de stukken in het dossier en hetgeen is verhandeld ter terechtzitting in hoger beroep is naar het oordeel van het hof de volgende gang van zaken aannemelijk geworden. Op 10 maart 2006 te 20.00 uur is door de politie op de Plantage Muidergracht te Amsterdam een personenauto geplaatst. De politie heeft die auto voorzien van niet voor die auto afgegeven, buitenlandse kentekenplaten. In deze afgesloten auto waren door de politie onder meer een mobiele telefoon en een dummy van een navigatiesysteem neergelegd c.q. aangebracht. Deze voorwerpen waren van buiten die auto voor passanten zichtbaar. Tegenover deze auto is door de politie een observatiepost geplaatst en bemand. Ongeveer twintig minuten nadat deze auto ter plaatse was geparkeerd, is door de verdachte een ruit van de auto vernield en heeft hij het navigatiesysteem weggenomen. De verdachte is terstond aangehouden. De politie is tot de inzet van deze auto overgegaan met het oog op het grote aantal gepleegde inbraken uit auto's op de Plantage Muidergracht (en naar het hof aanneemt: ook de directe omgeving van die gracht). Als doel van deze actie is in het proces-verbaal van relaas vermeld: het verminderen van voertuigcriminaliteit. De officier van justitie heeft aan de politie voor de uitvoering van deze actie toestemming verleend. Het hof zal in navolging van de politie de term lokauto bezigen. Gegeven de veelheid van gepleegde autokraken op en nabij de plaats waar de lokauto door de politie is geplaatst en het vorenweergegeven doel van de inzet van de lokauto, moet worden aangenomen dat de politie de aanhouding op heterdaad van een autokraker heeft beoogd. Gelet op wat de ervaring leert met betrekking tot autokrakers -in de regel gaat het om lieden die dit soort van feiten bij herhaling plegen- en met betrekking tot autokraken -in de regel gaat het om ergerlijke misdrijven waarvan de daders slechts moeizaam kunnen worden geïdentificeerd-,

getuigt de inzet van de lokauto van een zekere creativiteit in de opsporing. Immers, degene die overeenkomstig een daartoe genomen besluit de lokauto kraakt, laadt niet slechts de verdenking op zich -onder het toeziend oog van de politie- een misdrijf te hebben begaan, maar laadt daardoor tevens de verdenking op zich dat hij zich daaraan eerder heeft bezondigd. Aldus wordt de inzet van de lokauto gelegitimeerd door in elk geval het belang dat bestaat bij de zeer grote pakkans van een autokraker, van wie in redelijkheid mag worden aangenomen dat hij zich niet voor het eerst op of nabij die locatie aan een autokraak schuldig maakt.

Gegeven de aan de politie opgedragen taken -de opsporing van strafbare feiten als ook de aan artikel 2 van de Politiewet 1993 te ontlenen taakstelling- valt niet in te zien dat de politie met de inzet van de lokauto in het onderhavige geval aan een rechtsregel is voorbij gegaan. Daartoe overweegt het hof in het bijzonder dat de hier aan de orde zijnde inzet van de lokauto als middel van opsporing geen strijd oplevert met de in boek I van het Wetboek van Strafvordering neergelegde regeling van bijzondere bevoegdheden tot opsporing, terwijl evenmin aannemelijk is geworden dat de verdachte door die inzet is gebracht tot andere handelingen dan die, waarop zijn opzet tevoren was gericht. Het gegeven dat de auto door de politie is geprepareerd, geparkeerd en geobserveerd en in die zin de politie de verdachte heeft gefopt is mogelijk niet alledaags en kan in zoverre bijzonder worden genoemd, doch doet aan deze conclusie niet af. Overigens is niet aannemelijk geworden dat de verdachte doordat de politie op de lokauto buitenlandse kentekenplaten heeft aangebracht -indien al in strijd met de wet- is geschonden in een rechtens te respecteren belang.

Evenmin kan -in aanmerking genomen hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de frequentie, aard en ernst van autokraken en de in de regel moeizame opsporing van de daders van deze misdrijven- met vrucht kan worden gesteld dat door de politie onder gezag van de officier van justitie in het onderhavige geval voorbij is gegaan aan de in acht te nemen beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit. Het hof overweegt tot slot en ten overvloede, dat het enkele feit dat achteraf bezien de aanhouding van de verdachte klaarblijkelijk niet heeft geleid tot de opheldering van op of nabij die locatie eerder gepleegde autokraken, niet meebrengt dat de officier van justitie door de verdachte te vervolgen ter zake van de kraak op de lokauto in strijd handelt met enige regel van strafvordering. Wel dient aan dit aspect betekenis te worden toegekend aan -indien het hof daaraan toekomt- de straftoemeting. Het voorgaande voert tot de slotsom dat de verweren worden verworpen."

2.5. Vooropgesteld moet worden dat het plaatsen door de politie van een zogenoemde lokauto teneinde aldus personen die inbraken in auto's plegen op heterdaad te kunnen betrappen, op zichzelf niet ongeoorloofd is, ook al steunt dit handelen niet op een specifieke wettelijke regeling (vgl. HR 28 oktober 2008, LJN BE9817, NJ 2009, 224). Voor zover de middelen dit miskennen, falen ze.

2.6.1. Voor zover de middelen klagen dat in het onderhavige geval het plaatsen van een lokauto onrechtmatig was en

dat het Hof het daarop steunende beroep op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging ten onrechte, dan wel ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen, falen ze eveneens.

2.6.2. Het Hof heeft vastgesteld dat de politie met toestemming van de Officier van Justitie, met het doel voertuigcriminaliteit te verminderen en daartoe de aanhouding van een verdachte op heterdaad te verrichten, een afgesloten personenauto met een buitenlands kenteken heeft geparkeerd op een plaats waar veelvuldig dergelijke criminaliteit plaatsvindt en in de auto voor passanten zichtbaar een mobiele telefoon en een dummy van een navigatiesysteem heeft achtergelaten. Na ongeveer twintig minuten is geconstateerd dat de verdachte een ruit van de auto vernielde en het navigatiesysteem daaruit wegnam, waarna hij is aangehouden.

2.6.3. Het oordeel van het Hof dat onder genoemde omstandigheden de plaatsing van die lokauto niet onrechtmatig was omdat daardoor (a) de verdachte niet is gebracht tot andere handelingen dan die waarop zijn opzet reeds tevoren was gericht, en (b) de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit niet zijn geschonden, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. De Hoge Raad neemt hierbij in aanmerking dat - naar volgt uit het verhandelde ter terechtzitting - de politie te dezen niet meer heeft gedaan dan het plaatsen van een onopvallende auto met daarin een mobiele telefoon en een (dummy van een) navigatiesysteem op een plek waar veel inbraken in of uit auto's worden gepleegd, om vervolgens af te wachten wat er met de lokauto zou gebeuren.

3. Beoordeling van de middelen voor het overige

De middelen kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde taakstraf van tachtig uren en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal

de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 6 oktober 2009.