Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BI7028

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-09-2009
Datum publicatie
08-09-2009
Zaaknummer
07/12490
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BI7028
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verdachte n-o in hb nu het hem middels een door hem ontvangen krantenbericht duidelijk moet zijn geweest dat er vonnis was gewezen. HR herhaalt HR LJN BB3055 m.b.t. omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is. ’s Hofs oordeel dat verdachte na kennisneming van het krantenknipsel betreffende zijn veroordeling en de hem opgelegde gevangenisstraf en na het daarop volgende contact met zijn raadsman over de consequentie van die veroordeling over voldoende gegevens beschikte omtrent hetgeen voor hem van belang was voor de besluitvorming t.a.v. het instellen van hb is onjuist, noch onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2009, 429
RvdW 2009, 1020
NJB 2009, 1737
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 september 2009

Strafkamer

nr. 07/12490

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 26 april 2007, nummer 24/001320-06, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad zal constateren dat de redelijke termijn is overschreden en tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, de verdachte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep.

2.2. Het bestreden arrest houdt dienaangaande het volgende in:

"Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De oproeping voor de behandeling van de onderhavige strafzaak in eerste aanleg op de nadere terechtzitting, van de rechtbank Leeuwarden van 25 maart 2002 is uitgereikt aan de - waarnemend - griffier van de rechtbank, omdat van verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Niet is gebleken dat er zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat genoemde dag van de nadere terechtzitting bij de rechtbank de verdachte tevoren bekend was. Verdachte is op die zitting niet verschenen. De rechtbank heeft verdachte op 8 april 2002 bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf.

Verdachte, die destijds in het buitenland (U.S.A.) verbleef, heeft ter terechtzitting van het hof verklaard dat hij op enig moment in het jaar 2002 een krantenknipsel heeft ontvangen, waarin informatie stond over voornoemde veroordeling. Onder meer werd daarin de hem door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf vermeld. Verdachte heeft ter zitting van het hof tevens verklaard dat hij naar aanleiding van dit krantenknipsel op enig moment in het jaar 2002 contact heeft opgenomen met zijn raadsman, die hem desgevraagd de consequentie van voornoemde veroordeling heeft uitgelegd.

Naar het oordeel van het hof is er aldus sprake van een omstandigheid als bedoeld in artikel 408, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, waaruit volgt dat het vonnis van de rechtbank Leeuwarden 14 dagen nadat die omstandigheid zich had voorgedaan, onherroepelijk is geworden. Op 30 mei 2006 heeft verdachte hoger beroep ingesteld tegen het voormelde vonnis van de rechtbank Leeuwarden. Het hof stelt vast dat verdachte te laat is met het instellen van hoger beroep. Dit brengt mee, dat de verdachte in het hoger beroep niet kan worden ontvangen."

2.3. De wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dat kan geschieden; die termijnen zijn van openbare orde. Een overschrijding van de daarvoor gestelde termijn betekent dat de verdachte niet in het hoger beroep kan worden ontvangen. Ingevolge art. 408, tweede lid, Sv kan de verdachte binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid voordoet waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is, hoger beroep instellen tegen het vonnis van de rechtbank. Van een "omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is" is sprake als de verdachte op de hoogte wordt gesteld van datgene wat voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep (vgl. HR 11 december 2007, LJN BB3055, NJ 2008, 22).

2.4. Het oordeel van het Hof komt erop neer dat de verdachte op enig moment in het jaar 2002, na kennisneming van een krantenknipsel betreffende zijn veroordeling en de aan hem opgelegde gevangenisstraf en na het daarop volgende contact met zijn raadsman over de consequentie van die veroordeling, over voldoende gegevens beschikte omtrent hetgeen voor hem van belang was voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep en dat de verdachte in zijn eerst op 19 mei 2006 ingestelde hoger beroep derhalve niet kan worden ontvangen. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het bepaalde in art. 408, tweede lid, Sv, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is.

2.5. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

3. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 8 september 2009.