Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BI5907

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-09-2009
Datum publicatie
11-09-2009
Zaaknummer
08/03607
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BI5907
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Faillissementsrecht. Verzoek van curator tot vaststelling van salaris, motiveringseisen aan beschikking ex art. 71 lid 1 F.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 71
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 1002
RI 2009, 87
NJB 2009, 1621
JWB 2009/311
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 september 2009

Eerste Kamer

08/03607

DV/TT

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[Verzoeker],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat:aanvankelijk mr. H.J.A. Knijff, thans mr. R.A.A. Duk.

Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als de curator.

1. Het geding in feitelijke instantie

Op 5 december 2007 heeft de curator de rechtbank Middelburg verzocht zijn salaris en de verschotten in het faillissement van RMI Middelburg B.V. vast te stellen op € 262.896,32 exclusief BTW (en inclusief het reeds verstrekte voorschot van € 80.000,--) respectievelijk € 6.572,41 exclusief BTW.

De rechter-commissaris heeft op 24 januari 2008 aan de rechtbank schriftelijk voorgesteld om in afwijking van het voorstel van de curator het salaris vast te stellen op € 185.065,56 exclusief BTW en de verschotten op € 5.985,44 exclusief BTW.

De rechtbank heeft, na mondelinge behandeling, bij beschikking van 21 mei 2008 het salaris van de curator vastgesteld op € 242.896,32 exclusief BTW en aan verschotten op € 5.772,40 exclusief BTW.

De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie.

Tegen de beschikking van de rechtbank heeft de curator beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping.

De advocaat van de curator heeft bij brief van 29 mei 2009 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 De curator is op 25 september 2002 als zodanig benoemd in het op die dag uitgesproken faillissement van RMI Middelburg B.V. De gefailleerde exploiteerde een ijzergieterij met een omzet van € 8.000.000,-- en een personeelsbestand van ongeveer 69 mensen.

3.2 Tot het salaris dat de curator heeft verzocht vast te stellen, behoort een bedrag van € 46.675,85 wegens werkzaamheden verricht in de periode van 12 november 2003 tot en met 24 januari 2006 (ruim 170 uur) aan de boekhouding van de gefailleerde. De rechter-commissaris heeft in afwijking van het verzoek van de curator de rechtbank verzocht het salaris van de curator in verband met deze werkzaamheden te bepalen op € 14.501,--, zulks omdat het op de weg van de curator had gelegen om in overleg te treden over de noodzaak en de wijze van uitvoering - door een administratiekantoor in plaats van door de curator zelf - van deze werkzaamheden, die door een administrateur hadden kunnen worden uigevoerd.

3.3 Dienaangaande heeft de rechtbank overwogen:

"De curator heeft een grote vrijheid van handelen bij de afwikkeling van een faillissement. Dat kan ook betekenen dat hij, ondanks een hoog uurtarief, zelf boekhoudkundige werkzaamheden verricht. In dit geval heeft de curator, zoals blijkt uit zijn urenverantwoording, in november 2004 in één week tijd ruim 30 uur besteed aan de boekhouding van RMI. Gelet op die bestede tijd moet de curator voldoende inzicht hebben gehad in de bewerkelijkheid van de boekhouding. Van hem had dan ook verwacht mogen worden dat hij met het oog op de te verwachten kosten of overleg zou voeren met de rechter commissaris of zelfstandig een administrateur zou in schakelen. Door dit niet te doen is het zeer aannemelijk dat de kosten over 2005 en 2006 onnodig hoog zijn opgelopen ten nadele van de boedel.

De rechtbank zal daarom de vergoeding over 2005 en 2006 van de ten behoeve van de boekhouding gemaakte uren in redelijkheid verlagen met EUR 20.000. Zij houdt daarbij rekening met de opmerking van de curator dat hij ook in het geval hij de boekhouding zou hebben uitbesteed nog tijd had moeten besteden aan het informeren en begeleiden van de boekhouder."

Aldus heeft de rechtbank tot uitdrukking gebracht dat de curator met het oog op de bewerkelijkheid van de boekhouding had moeten overleggen met de rechter-commissaris of het niet beter zou zijn het werk aan de boekhouding door een administrateur te laten verrichten, dat in dat geval inderdaad gekozen zou zijn voor het inschakelen van een administrateur omdat de boedel daarmee aanzienlijke kosten zou kunnen uitsparen, en dat daarom een verlaging van de door de curator opgevoerde kosten wegens door hem in 2005 en 2006 aan de boekhouding bestede tijd met € 20.000,-- redelijk is.

3.4 Bij de beoordeling van de hiertegen gerichte klachten moet worden vooropgesteld dat voor een beschikking als bedoeld in art. 71 lid 1 F. in beginsel met een sobere motivering kan worden volstaan. De gedingstukken kunnen evenwel tot een uitvoeriger motivering nopen. Daarvan is in ieder geval sprake wanneer de rechtbank bij de salarisvaststelling afwijkt van het door de curator opgegeven bedrag. De beschikking dient dan ten minste zodanig te worden gemotiveerd dat deze voldoende inzicht verschaft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang (HR 25 november 2005, nr. R05/040, LJN AU4620, NJ 2006, 518).

3.5 Onderdeel 1a klaagt dat de rechtbank heeft miskend dat een faillissementscurator voor handelingen waarvoor de wet geen goedkeuring of toestemming van de rechter-commissaris vooraf verlangt, slechts achteraf verantwoording verschuldigd is aan de rechter-commissaris. De klacht ziet eraan voorbij dat het in dit geval nu juist erom gaat dat de verantwoording die de curator achteraf heeft gegeven met betrekking tot zijn aan de administratie bestede uren, door de rechter-commissaris, en vervolgens ook door de rechtbank, is afgekeurd. Het onderdeel mist dan ook feitelijke grondslag.

3.6 Onderdeel 1b komt erop neer dat de rechtbank onvoldoende gemotiveerd heeft waarom de curator met de rechter-commissaris overleg had dienen te voeren over het inschakelen van een administrateur, nu het er destijds naar uitzag dat de boedel onvoldoende actief had om de kosten van een administrateur te betalen. Dit betoog kan niet tot cassatie leiden omdat de curator voor de rechtbank niet heeft aangevoerd dat hij reeds omdat de boedel de kosten daarvan niet zou kunnen dragen heeft afgezien van overleg met de rechter-commissaris over het inschakelen van een administrateur.

3.7 De onderdelen 2-4 verlangen een uitvoeriger motivering van de rechtbank die ingevolge art. 71 lid 1 het salaris van een curator vaststelt dan hiervoor in 3.4 bedoeld. De door de rechtbank gegeven motivering geeft voldoende inzicht in haar gedachtegang. Tot een grondiger motivering van haar beslissing, die de vrucht is van een aan de rechtbank als feitenrechter voorbehouden waardering van de feiten, was zij niet gehouden. Daarbij heeft de rechtbank niet behoeven te betrekken de volgens onderdeel 2c in een aan de pleitnota van de raadsman gehechte notitie van de curator aan de rechter-commissaris vermelde argumentatie waarop de raadsman zich niet met zoveel woorden heeft beroepen. De onderdelen stuiten hierop af.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, J.C. van Oven en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 11 september 2009.