Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BI5668

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-09-2009
Datum publicatie
22-09-2009
Zaaknummer
07/12739
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BI5668
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Strafmotivering. Het middel berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest nu het ervan uit gaat dat het Hof in de strafmotivering het – niet tenlastegelegde – feit heeft betrokken dat verdachte getuige X in september 2006 met de dood heeft bedreigd. Tegen de achtergrond van het verhandelde t.t.z., meer i.h.b. van de aldaar door verdachte afgelegde verklaring doelt het Hof met de aangevallen overweging kennelijk op de omstandigheid dat het bewezenverklaarde feit is gepleegd in het verband van verdachtes conflictueuze relatie met de jeugdhulpverlening, met wier handelwijze hij het niet eens was. De desbetreffende overweging is daarom een nadere uitwerking van de door het Hof in aanmerking genomen en uit het onderzoek t.t.z. in h.b. gebleken omstandigheden waaronder verdachte zich aan het bewezenverklaarde heeft schuldig gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 1114
NJ 2009, 465
NJB 2009, 1808
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 september 2009

Strafkamer

nr. S 07/12739

LF/SM

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 11 oktober 2007, nummer 20/000368-07, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboortedatum] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt er onder meer over dat het Hof bij de strafmotivering ook heeft betrokken dat de verdachte een ander heeft bedreigd terwijl dat feit niet aan de verdachte is tenlastegelegd en door de verdachte wordt ontkend.

2.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 25 oktober 2006 te Bergen op Zoom, [het slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, hebbende hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk dreigend die [slachtoffer] de woorden toegevoegd: "Ik kan zo een pistool regelen en schiet je door je hart"."

2.3.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt in dat de Voorzitter mondeling de korte inhoud meedeelt van alle in het arrest in de onderhavige zaak genoemde stukken.

2.3.2. Bij de bijzondere overwegingen omtrent het bewijs heeft het Hof onder meer overwogen:

"Voorts blijkt uit de verklaring van getuige [getuige 1], eveneens medewerkster van voornoemd opvangcentrum, dat:

- zij van [het slachtoffer] heeft gehoord dat hij bedreigd was door de verdachte;

- zij zelf in september 2006 door de verdachte telefonisch is bedreigd met de dood, nadat zij hem niet had toegestaan met zijn dochter te spreken; verdachte heeft haar toen gezegd dat hij haar dood zou schieten."

2.4. De strafmotivering houdt onder meer in:

"In verband met de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op: (...)

- de omstandigheid dat de verdachte door zijn dreigementen heeft getracht de jeugdhulpverlening onder druk te zetten om anders te handelen dan zij in het belang van verdachtes dochter dienstig achtte."

2.5. Het middel gaat ervan uit dat het Hof in de hiervoor onder 2.4 weergegeven overweging het - niet tenlastegelegde - feit heeft betrokken dat de verdachte de getuige Gijzen in september 2006 met de dood heeft bedreigd. Het middel berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Tegen de achtergrond van het verhandelde ter terechtzitting, meer in het bijzonder van de aldaar door de verdachte afgelegde verklaring, zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 11, doelt het Hof met de aangevallen overweging kennelijk op de omstandigheid dat het bewezenverklaarde feit is gepleegd in het verband van verdachtes conflictueuze relatie met de jeugdhulpverlening, met wier handelwijze hij het niet eens was. De desbetreffende overweging is daarom een nadere uitwerking van de door het Hof in aanmerking genomen en uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep gebleken omstandigheden waaronder de verdachte zich aan het bewezenverklaarde heeft schuldig gemaakt. In zoverre faalt het middel.

2.6. Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.A. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 22 september 2009.