Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BI5100

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-05-2009
Datum publicatie
29-05-2009
Zaaknummer
08/00824
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2008:BC2744, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Artikel 90 EG Verdrag. Artikel 10 Wet BPM. Auto’s die eerder in Duitsland op kenteken zijn gesteld en overigens nieuw zijn, moeten worden vergeleken met nieuwe auto’s.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2009/186
V-N 2009/28.18 met annotatie van Redactie
FutD 2009-1136
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

nr. 08/00824

29 mei 2009

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 14 januari 2008, nrs. 06/00209 en 06/00213, betreffende een op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Belanghebbende heeft over het tijdvak juni 2004 op aangifte een bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen voldaan. Belanghebbende heeft tegen dit bedrag bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij uitspraak van de Inspecteur is afgewezen.

De Rechtbank te Arnhem (nr. AWB 05/1582) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd doch de rechtsgevolgen van de uitspraak in stand gelaten.

Zowel belanghebbende als de Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende handelt in personenauto's van exclusieve merken. Zij heeft in 2004 tien op Duits kenteken gestelde auto's ingekocht bij in Duitsland gevestigde verkopers en deze auto's overgebracht naar Nederland. De kilometerstanden van de auto's varieerden van enkele tientallen tot enkele honderden kilometers.

3.1.2. Voordat voor elk van de auto's aangifte voor de belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: BPM) werd gedaan, is de auto getaxeerd door G. In 2006 heeft belanghebbende twee andere taxateurs verzocht een oordeel te geven over de waarde van de auto's ten tijde van de registratie in 2004. De desbetreffende rapporten, één opgesteld door J met dagtekening 21 april 2006 en één door K B.V. met dagtekening 10 mei 2006, zijn door belanghebbende in het geding gebracht. In elk van de rapporten staan van de desbetreffende auto een inkoopwaarde en een verkoopwaarde vermeld.

3.1.3. De inkoopprijzen die belanghebbende heeft betaald voor de auto's zijn hoger dan de inkoopwaarden vermeld in de drie taxatierapporten. De verkoopprijzen die belanghebbende heeft ontvangen voor de auto's zijn tevens hoger dan de verkoopwaarden vermeld in de drie taxatierapporten. De ontvangen verkoopprijzen zijn voorts hoger dan de consumentenprijzen zoals die in het onderhavige tijdvak door de officiële importeurs zijn vastgesteld voor nieuwe auto's van hetzelfde merk en type.

3.1.4. Belanghebbende heeft op haar aangifte voor de BPM ter zake van de tien auto's, uitgaande van de hiervoor in 3.1.3 vermelde consumentenprijzen, een bedrag aan BPM voldaan berekend aan de hand van de netto catalogusprijs als bedoeld in artikel 9 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (tekst 2004; hierna: de Wet) met inachtneming van een vermindering overeenkomstig het bepaalde in artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de afschrijvingstabel in artikel 10, lid 2, van de Wet, in strijd is met artikel 90 EG. Die strijdigheid brengt volgens het Hof niet mee dat in het geheel geen BPM is verschuldigd, doch dat de aldus berekende BPM niet is verschuldigd indien en voor zover deze het bedrag van de BPM dat rust op vergelijkbare auto's die reeds in Nederland zijn geregistreerd, overschrijdt. Dit oordeel is juist (vgl. HR 6 december 2002, nr. 37666, BNB 2003/122 en HR 22 september 2006, nr. 41178, BNB 2007/55). Middel 1 faalt derhalve.

3.3.1. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat voor het bepalen van het bedrag aan BPM dat is verschuldigd ter zake van de registratie van de auto's, uitgegaan moet worden van nieuwe auto's van hetzelfde merk en hetzelfde type, omdat de onderhavige auto's daarmee het meest concurreren. Het Hof heeft zich daarbij gebaseerd op de omstandigheid dat de onderhavige auto's in nieuwstaat verkeerden en dat de kopers bereid zijn geweest een hoger bedrag dan de nieuwprijs voor deze auto's te betalen. In dit verband acht het Hof van belang dat de geringe kilometerstand en het feit dat de auto's enkele dagen op Duits kenteken hebben gestaan, blijkbaar geen waardeverminderende factor voor deze auto's hebben gevormd en dat de registratie in Duitsland - met uitzondering van één van de tien auto's - plaatsvond na het sluiten van de koopovereenkomst met de afnemers van belanghebbende. De taxatierapporten heeft het Hof terzijde geschoven omdat daarin volgens het Hof is uitgegaan van onjuiste referentievoertuigen, te weten van gebruikte voertuigen.

3.3.2. Middel 2 komt hiertegen op met de klacht dat het Hof artikel 90 EG, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, heeft miskend door niet uit te gaan van de waardevermindering die is vastgesteld in de door belanghebbende overgelegde taxatierapporten, nu - aldus het middel - aan de juistheid van de taxaties niet behoefde te worden getwijfeld. Het middel faalt. Het Hof heeft immers de taxaties als niet adequaat beschouwd. Aan dat oordeel heeft het Hof ten grondslag gelegd de overweging dat de taxateurs zijn uitgegaan van gebruikte voertuigen, terwijl de onderhavige auto's daarmee volgens het Hof niet kunnen worden gelijkgesteld.

Gelet hierop - in samenhang met hetgeen hierna wordt overwogen met betrekking tot middel 4 - faalt ook het op middel 2 voortbouwende middel 3, dat zich keert tegen het oordeel van het Hof dat de op goedkeurend beleid berustende tegenbewijsregeling voor geïmporteerde gebruikte auto's hier niet geldt.

3.3.3. Middel 4 bestrijdt 's Hofs oordeel dat voor de toepassing van de rechtspraak van het Hof van Justitie op de onderhavige auto's nieuwe auto's als referentie-auto's kunnen gelden.

Het middel berust op het onjuiste uitgangspunt dat de onderhavige auto's niet vergelijkbaar zijn met nieuwe auto's, dat wil zeggen auto's die in Nederland op de consumentenmarkt worden gebracht en waarvoor nog geen kenteken is toegekend, aangezien - aldus het middel - voor de onderhavige auto's al een kenteken was toegekend voordat zij in Nederland werden geregistreerd. De omstandigheid dat de auto's in Duitsland zijn geregistreerd voordat zij in Nederland werden geregistreerd, staat niet in de weg aan het oordeel dat de auto's - behoudens in één geval - als nieuwe personenauto moeten worden aangemerkt, nu de Nederlandse kopers de auto's voor het eerst in gebruik hebben genomen. Anders dan het middel betoogt kunnen derhalve niet uitsluitend personenauto's waarvoor nog geen kenteken is toegekend als nieuw in de zin van de Wet worden aangemerkt.

Nu de onderwerpelijke personenauto's - behoudens in één geval - nieuw waren op het tijdstip waarop voor deze auto's in Nederland een kenteken werd toegekend, is de maatstaf van heffing voor deze auto's, gelet op artikel 9, lid 5, van de Wet, de op dat tijdstip geldende in lid 4 van dat artikel vermelde catalogusprijs. Aangezien dit niet leidt tot een hogere heffing dan die voor door een importeur of fabrikant in de zin van dit lid 4 in Nederland gebrachte of vervaardigde vergelijkbare personenauto's die in nieuwe staat worden geregistreerd in de zin van artikel 1, lid 2, van de Wet, en voorts de heffing van de BPM in het algemeen en in het bijzonder met betrekking tot vanuit andere lidstaten in Nederland op de markt gebrachte nieuwe personenauto's niet strijdig is met het gemeenschapsrecht, is bij de onderwerpelijke heffing van BPM geen sprake van schending van het gemeenschapsrecht.

Het bepaalde in de Leidraad BPM, waarop het middel mede een beroep doet, doet hieraan niet af. De omstandigheid dat volgens de Leidraad BPM een personenauto reeds als gebruikt kan worden aangemerkt in de zin van artikel 10 van de Wet (met dienovereenkomstige vermindering van de maatstaf van heffing), indien deze in Nederland wordt geregistreerd nadat daarvoor in een andere lidstaat een kenteken was toegekend, laat onverlet dat de auto voor de toetsing aan het gemeenschapsrecht heeft te gelden als nieuwe, nog niet gebruikte auto. De heffing van de BPM volgens de Leidraad BPM is derhalve niet in strijd met het gemeenschapsrecht.

Op grond van het hiervoor overwogene faalt middel 4 en tevens middel 5.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2009.