Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BI4735

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-09-2009
Datum publicatie
01-09-2009
Zaaknummer
07/13169
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BI4735
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bewijsmotivering. HR herhaalt relevant overwegingen uit o.m. HR NJ 2004, 165 t.a.v. f&o die door de rechter redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring maar niet in de bewijsmiddelen zijn vermeld. I.c. heeft het Hof verzuimd met voldoende mate van nauwkeurigheid het bewijsmiddel aan te geven waaraan het heeft ontleend dat verdachte zich voor het autoschadebedrijf onbereikbaar heeft gehouden. Tot cassatie leidt dat echter niet nu het in het licht van de gehele bewijsvoering een omstandigheid van zo ondergeschikte aard betreft dat het aan de toereikendheid van de bewijsmotivering niet afdoet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 976
NJB 2009, 1664
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

1 september 2009

Strafkamer

Nr. 07/13169

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 22 oktober 2007, nummer 23/002386-07, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Veenhuizen, locatie Norgerhaven" te Veenhuizen.

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

1.2. Mr. De Boer voornoemd heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel komt op tegen de nadere bewijsoverweging van het Hof waarin het, aldus het middel, een omstandigheid heeft genoemd die niet in de bewijsmiddelen is opgenomen en waarvan de herkomst in de overwegingen evenmin voldoende nauwkeurig is aangegeven.

2.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 18 augustus 2005 tot en met 29 november 2005 in Nederland opzettelijk een personenauto (merk Mitsubishi Space Star, kenteken [AA-00-BB]) toebehorende aan [benadeelde partij 1], welk goed verdachte had gehuurd en aldus anders dan door misdrijf onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend."

2.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]:

"Ik ben namens de benadeelde, [benadeelde partij 1], gerechtigd tot het doen van aangifte. Op 18 augustus 2005 kwam een man het bedrijf binnen. Hij vroeg of hij een leenauto kon krijgen. Door mijn bedrijfsleider is de man een auto meegegeven. Deze auto is een personenauto van het merk Mitsubishi Space Star en is voorzien van het kenteken [AA-00-BB]. Mijn bedrijfsleider heeft een kopie gemaakt van het rijbewijs van deze man. Het rijbewijs staat op naam van [verdachte]. De man zou de auto na een paar dagen terugbrengen. Ik heb reeds 2 keer een aangetekende brief gestuurd naar het adres van deze man waarin hij gesommeerd is de auto met kenteken [AA-00-BB] terug te bezorgen aan [benadeelde partij 1]."

b. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Ik ben 29 november 2005 aangehouden. De auto die ik in mijn bezit had is een Mitsubishi. Het is een leenauto en die zou ik twee à drie weken later terugbrengen. Ik heb de auto helemaal niet meer teruggebracht."

c. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

"Op 29 november 2005 kwamen wij bij een hotel te Starnmeer, gemeente Graft de Rijp. Men had melding gemaakt van een persoon die aldaar zou verblijven die zou rijden in een personenauto die als gestolen gesignaleerd zou staan. Wij, verbalisanten, zagen voor de gehuurde kamer een personenauto staan, welke voorzien was van kenteken [AA-00-BB]. Wij, verbalisanten, hebben op de deur geklopt waarna een man opendeed die opgaf te zijn genaamd [valse naam verdachte]. Op de vraag of hij de gebruiker was van de auto met het kenteken [AA-00-BB], antwoordde deze persoon dat het inderdaad zo was. Hierop hebben wij deze persoon aangehouden."

d. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Ik heb gisteren (het hof begrijpt: bij zijn aanhouding op 29 november 2005) een valse naam opgegeven. Ik heet [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1955 te [geboorteplaats]."

2.2.3. Het Hof heeft voorts naar aanleiding van een bewijsverweer nog het volgende overwogen:

"De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte de auto slechts had gehuurd/geleend, maar dat toen geen termijn is afgesproken waarbinnen de auto zou dienen te worden geretourneerd. Verdachte heeft bij het huren/lenen van de auto aangegeven dat hij de auto zou terugbrengen als hij uit Frankrijk was teruggekomen. Een en ander dient tot vrijspraak van het tenlastegelegde te leiden, aldus de raadsman, nu de opzet tot verduistering heeft ontbroken.

Dit verweer van de raadsman wordt verworpen. Hoewel op de "huurovereenkomst vervangend vervoer" (dossierpagina 6) geen retourdatum staat ingevuld heeft de aangever verklaard dat de auto op 18 augustus 2005 is meegegeven voor een aantal dagen. Op 29 november 2005 werd verdachte aangehouden en de geleende auto was toen nog steeds in zijn bezit. Het is een feit van algemene bekendheid dat indien een autoschadebedrijf een leenauto verstrekt dit slechts voor de korte periode gebeurt gedurende welke de reparatie wordt uitgevoerd. Het gaat daarbij in het algemeen om een beperkte periode die eerder enige dagen of misschien in uitzonderlijke gevallen één of meer weken zal bestrijken, maar zeker geen maanden. Verdachte heeft zelf tegenover de politie verklaard dat hij de leenauto twee à drie weken later zou terugbrengen. Zelfs indien deze periode inderdaad zou zijn overeengekomen, dan nog heeft verdachte 1) door de geleende auto echter enkele maanden langer te blijven gebruiken dan de genoemde twee à drie weken en 2) zich daarbij onbereikbaar te houden voor het autoschadebedrijf onder meer door het opgeven van een onjuist adres, zich schuldig gemaakt aan verduistering."

2.3. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. Indien het gaat om feiten of omstandigheden die door de rechter redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring, dient de rechter die zich aldus - al dan niet in reactie op een bewijsverweer - beroept op bepaalde niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens, met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging

(a) die feiten of omstandigheden aan te duiden, en

(b) het wettige bewijsmiddel aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend (vgl. HR 24 juni 2003, NJ 2004, 165 en HR 5 december 2006, LJN A20662).

2.4. Het Hof heeft verzuimd in zijn overweging met voldoende mate van nauwkeurigheid het bewijsmiddel aan te geven waaraan het heeft ontleend dat de verdachte zich voor het autoschadebedrijf onbereikbaar heeft gehouden door onder meer een onjuist adres op te geven. Het middel is terecht voorgesteld.

2.5. Dit verzuim behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden nu het in het licht van de gehele bewijsvoering een omstandigheid van zo ondergeschikte aard betreft dat het aan de toereikendheid van de bewijsmotivering niet afdoet.

3. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 1 september 2009.