Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BI4387

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-07-2009
Datum publicatie
13-07-2009
Zaaknummer
07/12242
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BI4387
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht. Geschil tussen voormalige echtelieden bij afwikkeling van hun huwelijk over de verrekening volgens huwelijkse voorwaarden; gevolgen van Amsterdams verrekenbeding; verrekening van bij hypothecaire lening afgesloten kapitaalverzekering en waardestijging van de woning; peildatum, maatstaf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2009/124 met annotatie van BER onder «JPF» 2009/31
SJP 2009/221
SJP 2009/220
Ars Aequi AA20090654 met annotatie van A.J.M. Nuytinck
RvdW 2009, 841
NJ 2009, 377
RFR 2009, 106
NJB 2009, 1418
FJR 2009, 123

Uitspraak

10 juli 2009

Eerste Kamer

07/12242

EV/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,

advocaat: mr. J.P. Heering,

t e g e n

[De man],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie, verzoeker in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,

advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 13 februari 2004 ter griffie van de rechtbank Groningen ingediend verzoekschrift heeft de vrouw zich gewend tot die rechtbank en verzocht, kort gezegd, tussen partijen echtscheiding uit te spreken en onder meer de man uit hoofde van het verrekenbeding te veroordelen tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 109.818,95, alsmede een bedrag van € 3.377,92 ten aanzien van de kapitaalverzekering, met rente.

De man heeft het verzoek bestreden en bij zelfstandig verzoek de rechtbank verzocht de polis van kapitaalverzekering, welke aan de hypotheek is gekoppeld, aan de man toe te delen.

De rechtbank heeft bij beschikking van 27 juli 2004 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en, na verdere beschikkingen van 7 oktober 2004 en 23 november 2004, bij beschikking van 29 april 2005 bepaald dat de hypothecaire geldleningen, een tweetal levensverzekeringen, alsmede de kapitaalverzekering aan de man worden toebedeeld, en de man veroordeeld terzake van verrekening aan de vrouw te betalen een bedrag van € 65.000,--.

Tegen de beschikkingen van 7 oktober 2004 en 29 april 2005 heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden.

De vrouw heeft een verweerschrift ingediend bij het hof en daarbij incidenteel beroep ingesteld en haar eis vermeerderd in zoverre dat zij (primair) verzoekt de man te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 290.961,49 (de helft van de totale overwaarde van de woning), te vermeerderen met de helft van de waarde van de kapitaalverzekering, dan wel (subsidiair) de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 109.818,95 ten aanzien van de verrekening van de aan de verbouwing toe te schrijven waardevermeerdering van de woning, en een bedrag van € 3.377,92 ten aanzien van de kapitaalverzekering.

Bij beschikking van 11 juli 2007 heeft het hof de beschikkingen van 7 oktober 2004 en 29 april 2005 vernietigd voor zover de man daarbij is veroordeeld tot betaling van € 65.000,-- aan de vrouw terzake van verrekening en, opnieuw rechtdoende, bepaald dat de waarde van de kapitaalverzekering bij helfte tussen partijen verrekend dient te worden, bepaald dat als peildatum voor vaststelling van de waarde van die verzekering heeft te gelden 31 december 2003, de man veroordeeld om aan de vrouw te betalen de helft van de waarde van deze verzekering per 31 december 2003, vermeerderd met de wettelijke rente, en het meer of anders verzochte afgewezen.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De man heeft verzocht het beroep te verwerpen en voorwaardelijk incidenteel beroep ingesteld. Het cassatierekest en het verweerschrift, tevens houdende incidenteel cassatieberoep, zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt in het principale cassatieberoep tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot ver-wijzing ter verdere behandeling en beslissing, en in het incidentele beroep tot verwerping.

3. Uitgangspunten in cassatie

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen zijn op 26 mei 1989 gehuwd op huwelijkse voorwaarden, inhoudende dat iedere goederengemeenschap is uitgesloten. In art. 11 van de huwelijkse voorwaarden is een Amsterdams verrekenbeding opgenomen, luidende: "Per het einde van elk jaar voegen de echtgenoten ter verdeling bij helfte bijeen hetgeen van hun inkomen over dat jaar onverteerd is of door belegging van onverteerd inkomen is verkregen." Partijen hebben feitelijk geen uitvoering gegeven aan deze jaarlijkse verrekening.

(ii) Aan de akte van huwelijkse voorwaarden is een staat van huwelijksaanbrengsten gehecht, waaruit blijkt dat de man aanbrengt een woonboerderij met schuren, erf, tuin en groenland, gelegen te [woonplaats]. Ten behoeve van de verwerving van deze woning is geen hypothecaire lening (door de man) aangegaan. Na de huwelijksvoltrekking zijn partijen samen in deze woning gaan wonen, die daarmee voor hen tot echtelijke woning is gaan dienen.

(iii) Teneinde een verbouwing van deze (echtelijke) woning te financieren, hebben partijen op 21 november 1996 met de ING Bank een overeenkomst van geldlening gesloten ten bedrage van in totaal ƒ 150.000,-- zijnde € 68.067,03. Op deze geldlening is geen aflossing betaald, maar wel hypotheekrente.

(iv) Bij Nationale Nederlanden is op naam van de man een kapitaalverzekering afgesloten, zowel op het leven van de vrouw als dat van de man, ingaande 1 augustus 1996, waarvan de premie ƒ 1.861,-- (€ 844,48) per jaar bedraagt en welke verzekering is aangegaan met het oog op aflossing van de hypotheekschuld.

(v) Bij beschikking van 27 juli 2004 is echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

3.2 In deze zaak strijden partijen over de afrekening ingevolge het Amsterdams verrekenbeding. Daaromtrent heeft de rechtbank beslist dat de hypothecaire geldlening, een tweetal (risico)levensverzekeringen en de kapitaalverzekering aan de man worden "toebedeeld", en dat de man ter zake van verrekening een bedrag van € 65.000,-- aan de vrouw moet betalen.

In hoger beroep stond uitsluitend nog (de omvang van) de betalingsverplichting van de man uit hoofde van het periodiek verrekenbeding ter discussie. Het hof heeft daaromtrent geoordeeld - kort gezegd en voor zover in cassatie van belang - dat het verzoek van de vrouw tot verrekening van de waarde(stijging) van de woning moet worden afgewezen, aangezien de man de woning ten huwelijk heeft aangebracht en op de hypothecaire geldlening die is gesloten ter financiering van de staande huwelijk gerealiseerde verbouwing, geen aflossing wordt of is betaald, zodat geen sprake is van een op basis daarvan mogelijk voor verrekening vatbare belegging van onverteerd inkomen in de woning, terwijl de betalingen ter zake van de hypotheekrente, gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad, moeten worden aangemerkt als kosten van de huishouding (rov. 12-17 en 20). Ten aanzien van de kapitaalverzekering heeft het hof vooropgesteld dat deze is aangegaan met het oog op aflossing van de hypotheekschuld (rov. 21), en vervolgens geoordeeld dat in zodanig geval betaling van premies moet worden gelijkgesteld met de aflossing van de hypotheek, welke aflossing op haar beurt moet worden aangemerkt als een belegging van onverteerd inkomen in de woning (rov. 26), dat de premies zijn voldaan uit het onverteerde inkomen van partijen (rov. 27), en dat uit het vorenstaande voortvloeit dat de waarde van de kapitaalverzekering voor verrekening bij helfte in aanmerking komt, hetgeen betekent dat de man de helft van de waarde daarvan aan de vrouw moet uitkeren nu de verzekering aan hem is toebedeeld (rov. 28). Met betrekking tot de peildatum voor de waardebepaling van de kapitaalverzekering heeft het hof geoordeeld dat daarvoor in beginsel in aanmerking komt de datum waarop deze aan de man is toebedeeld, zijnde 29 april 2005, maar dat - nu het verrekening betreft op basis van belegging van onverteerd inkomen en er sedert eind december 2003, toen partijen feitelijk uit elkaar gingen, geen sprake meer zal zijn geweest van enig voor verrekening in aanmerking komend onverteerd inkomen - de peildatum in redelijkheid bepaald wordt op 31 december 2003 (rov. 29-31). Het hof heeft in het dictum van zijn beschikking de man veroordeeld tot betaling van de helft van de waarde van de kapitaalverzekering per 31 december 2003, met wettelijke rente, en het meer of anders gevorderde afgewezen.

4. Beoordeling van het middel in het principale beroep

4.1 Onderdeel 1 van het middel richt zich tegen het oordeel in de rov. 15, 16 en 20 dat geen grond aanwezig is voor toewijzing van het verzoek van de vrouw tot verrekening van de waarde(stijging) van de voormalige echtelijke woning nu op de geldlening die is gesloten teneinde de verbouwing van de woning te financieren, niet is afgelost. Het onderdeel strekt (onder 1.1) ten betoge dat het hof met dit oordeel heeft miskend dat aan de hypothecaire lening die voor de verbouwing is afgesloten, een kapitaalverzekering was verbonden waarvoor premies uit onverteerd inkomen zijn voldaan, welke premiebetalingen beschouwd moeten worden als aflossingen en derhalve als een belegging in het hypothecair verbonden pand, zodat wel degelijk sprake is van een voor verrekening vatbare belegging van onverteerd inkomen in de woning, te weten de waarde van genoemde verzekering. Het onderdeel klaagt voorts (onder 1.2) dat voor zover het hof heeft gemeend dat voor bedoelde verrekening van de waardestijging van de woning geen plaats is nu de woning vóór het huwelijk van partijen door de man is verworven, het hof heeft miskend dat het bepaalde in art. 1:136 lid 1 BW geen onderscheid maakt tussen (indirecte) beleggingen in een goed dat vóór dan wel na het huwelijk is verkregen. Voor zover het hof een en ander niet heeft miskend, heeft het hof zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, aldus dit onderdeel (onder 1.3).

Onderdeel 2 van het middel, dat volgens de toelichting een logisch sequeel van het eerste onderdeel is, richt zich tegen het oordeel in rov. 28 dat de waarde van de kapitaalverzekering voor verrekening in aanmerking komt en derhalve bij helfte tussen partijen verrekend moet worden. Het onderdeel klaagt dat het hof ten onrechte ten aanzien van de waarde van deze kapitaalverzekering niet de evenredigheidsmaatstaf van art. 1:136 lid 1 BW in verband met de waardestijging van de woning heeft toegepast.

4.2.1 Bij de beoordeling van deze onderdelen, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling, dient het volgende als uitgangspunt te gelden.

4.2.2 Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad strekt een verrekenbeding als voorkomend in de huwelijkse voorwaarden van partijen er naar zijn aard toe dat periodiek wordt verrekend hetgeen van de inkomsten van partijen wordt bespaard, waarna ieder der echtgenoten vervolgens in staat is zijn aandeel in de besparingen, door belegging, te besteden aan vorming en vermeerdering van het eigen vermogen. Laten partijen, zoals in dit geval, tijdens het huwelijk deling van de overgespaarde inkomsten achterwege, dan moet daaraan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, mede in verband met de aard van het verrekenbeding, het gevolg worden verbonden dat partijen bij het einde van het huwelijk alsnog tot verrekening overgaan en dat in deze verrekening ook wordt betrokken de vermogensvermeerdering, die is ontstaan door belegging van hetgeen uit de inkomsten van een echtgenoot is bespaard maar ongedeeld is gebleven; hetzelfde geldt voor een belegging die is gefinancierd met geleend geld, voor zover de lening is afgelost met bespaarde maar onverdeeld gebleven inkomsten (HR 18 april 2003, nr. C01/234, NJ 2003, 441). Deze regels zijn neergelegd in art. 1:141 lid 1 BW en - voor zover het gaat om de aflossing van een schuld die met het oog op de verwerving van een goed is aangegaan - art. 1:136 lid 1 BW.

4.2.3 Anders dan wel is afgeleid uit rov. 5.3 van HR 2 maart 2001, nr. C99/136, NJ 2001, 583, is onverschillig of de tijdens het verrekentijdvak verrichte belegging geschiedt in vermogen van een der echtgenoten dat tijdens dat tijdvak is verworven, dan wel reeds voordien. Voor beide situaties geldt immers in gelijke mate dat de overgespaarde inkomsten, die naar de aard van het periodieke verrekenbeding bestemd waren om na verrekening door ieder der echtgenoten benut te (kunnen) worden voor vermogensvermeerdering door belegging in eigen vermogen, zonder tussen de echtelieden te zijn verrekend voor belegging in het vermogen van slechts een der echtgenoten zijn aangewend, en dat aldus in strijd met aard en strekking van het verrekenbeding aan de andere echtgenoot de kans is ontnomen deze inkomsten (na verrekening) in eigen vermogen te beleggen en daardoor vermogensvermeerdering te bereiken.

Hiermee strookt dat ook de art. 1:136 lid 1 en 1:141 lid 1 geen onderscheid maken naar gelang de in het verrekentijdvak verrichte belegging of herbelegging van overgespaarde maar niet verrekende inkomsten betrekking heeft op nieuw verworven goederen, dan wel op reeds voor het huwelijk verworven goederen. Daarbij verdient opmerking dat de eerste volzin van art. 1:136 lid 1 weliswaar alleen betrekking heeft op tijdens het verrekentijdvak verworven goederen, maar dat de tweede volzin - die, kort gezegd, ziet op aflossingen uit te verrekenen vermogen op een schuld die is aangegaan in verband met de verwerving van een goed door een der echtgenoten - mede toepassing kan vinden bij een reeds voor het verrekentijdvak door middel van een daartoe aangegane lening door een (latere) echtgenoot verworven goed, voor zover tijdens het verrekentijdvak op die lening wordt afgelost uit te verrekenen vermogen. Deze uitleg strookt niet alleen met de hiervoor weergegeven aard en strekking van het periodieke verrekenbeding, maar ook met de aan de tweede volzin van art. 1:136 lid 1 ten grondslag liggende gedachte dat het voor de toepassing van de beleggingsleer geen verschil maakt of het door een der (latere) echtgenoten verworven goed direct ten laste van te verrekenen inkomsten of vermogen is betaald, dan wel of zulks indirect is geschied doordat de aflossing van een in verband met de verwerving aangegane schuld ten laste van te verrekenen inkomsten of vermogen is betaald.

4.2.4 Het voorgaande geldt op overeenkomstige wijze indien ten laste van te verrekenen inkomsten of vermogen niet de verwerving maar de verbetering van een aan een der echtgenoten toebehorend goed gefinancierd wordt, indien die verbetering een waardevermeerdering van het goed ten gevolge heeft en derhalve leidt tot extra vermogensvorming, zoals het geval kan zijn bij een ingrijpende verbouwing van een woning (vgl. HR 25 april 2008, nr. C06/259, NJ 2008, 394).

4.2.5 Indien voor de verwerving of de verbouwing van een aan een der echtgenoten toebehorende woning een hypothecaire lening is aangegaan, en in verband daarmee tevens een kapitaalverzekering is gesloten die ertoe strekt om (te zijner tijd) met het opgebouwde kapitaal de hypothecaire lening af te lossen, dient betaling van verzekeringspremies uit overgespaarde inkomsten gelijkgesteld te worden met aflossing van de hypothecaire schuld (vgl. HR 28 maart 1997, nr. 16201, NJ 1997, 581). Dat brengt mee dat de waarde die de polis op de peildatum heeft (waarbij in beginsel de contante waarde tot uitgangspunt kan dienen) in die zin in de verrekening wordt betrokken, dat de hypothecaire lening waarmee de verwerving of verbouwing van de woning is gefinancierd, geacht wordt met dat bedrag te zijn afgelost uit overgespaarde inkomsten. De andere echtgenoot heeft dan ook op de voet van art. 1:136 lid 1 in evenredigheid met dat bedrag aanspraak op verrekening van de waarde(stijging) van de woning. Daarnaast bestaat dan uiteraard geen aanspraak meer op een aparte verrekening bij helfte van de waarde van de polis.

4.3.1Gelet op het voorgaande treffen de onderdelen 1 en 2 doel. Weliswaar heeft het hof in rov. 26 met juistheid overwogen dat betaling van premies van een kapitaalverzekering die is aangegaan met het oog op een aflossing van de hypotheekschuld waarvan in deze sprake is, moet worden gelijkgesteld met de aflossing van de hypotheek, welke aflossing op haar beurt moet worden aangemerkt als een belegging van onverteerd inkomen in de woning. Maar het hof heeft miskend dat daaraan de gevolgtrekking moet worden verbonden dat de vrouw om die reden recht heeft op verrekening van de waardestijging van de voormalige echtelijke woning op de voet van de in art. 1:136 lid 1 vermelde evenredigheidsmaatstaf. Het hof heeft dan ook ten onrechte de daarop gebaseerde vordering afgewezen, en geoordeeld dat (slechts) de waarde van de kapitaalverzekering op de peildatum voor verrekening in aanmerking komt en bij helfte verdeeld moet worden (rov. 28).

4.3.2 Na verwijzing zal derhalve alsnog aan de hand van de in art. 1:136 lid 1 vermelde maatstaf moeten worden bepaald voor welk gedeelte de vrouw meedeelt in de waardestijging van de echtelijke woning die door de verbouwing is teweeggebracht. Nu de aankoop van de door de man ten huwelijk aangebrachte woning geheel door de man zelf is gefinancierd, dient de waarde die de woning voor de verbouwing had - en derhalve ook de waardestijging tot aan het moment van de verbouwing - geheel buiten de verrekening te blijven (vgl. het hiervoor genoemde arrest van 25 april 2008). Het bedrag dat tussen partijen verrekend moet worden kan dan bepaald worden door de waarde van de kapitaalverzekering op de peildatum (als ware tot dat bedrag uit overgespaarde inkomsten afgelost op de ten behoeve van de verbouwing aangegane lening) te delen door het totaalbedrag dat gevormd wordt door de waarde van de woning voor de verbouwing en het bedrag van de hypothecaire lening waarmee de verbouwing is gefinancierd, en het resultaat daarvan te vermenigvuldigen met de waarde van de woning op de peildatum.

4.4.1 Onderdeel 3 van het middel is gericht tegen de rov. 29-31, waarin het hof heeft geoordeeld dat als peildatum voor de waardebepaling van de kapitaalverzekering in beginsel in aanmerking komt de datum waarop deze aan de man is toebedeeld, zijnde 29 april 2005, maar dat - nu het verrekening betreft op basis van belegging van onverteerd inkomen en er sedert eind december 2003, toen partijen feitelijk uit elkaar gingen, geen sprake meer zal zijn geweest van enig voor verrekening in aanmerking komend onverteerd inkomen - de peildatum in redelijkheid bepaald wordt op 31 december 2003. Het onderdeel klaagt dat het hof heeft miskend dat een uitzondering op de door het hof aanvaarde hoofdregel dat de datum van verdeling/toedeling als peildatum voor de waardering heeft te gelden, slechts mogelijk is indien dat voortvloeit uit een overeenkomst tussen partijen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid; en dat indien het hof heeft bedoeld aan te knopen bij laatstbedoelde uitzonderingsgrond zijn oordeel onbegrijpelijk is.

4.4.2 Nu de kapitaalverzekering op naam van de man is afgesloten en derhalve tot zijn vermogen behoorde, gaat het hier niet om de verdeling daarvan tussen partijen, maar slechts om een verrekening van de waarde daarvan ingevolge het periodieke verrekenbeding (in die zin dat het bedrag van de waarde van de polis gelijkgesteld wordt met aflossing van de hypothecaire schuld tot dat bedrag). Ingevolge art. 1:141 lid 2 in verbinding met art. 1:142 lid 1, aanhef en onder b, BW, moeten de samenstelling en omvang van het te verrekenen vermogen in dat geval - behoudens andersluidende schriftelijke overeenkomst (lid 2 van art. 1:142) - worden bepaald naar het tijdstip van indiening van het verzoek tot echtscheiding, hier 13 februari 2004. In dit licht is het onderdeel gegrond voor zover geklaagd wordt dat onjuist althans onbegrijpelijk is het oordeel van het hof dat de peildatum in redelijkheid bepaald moet worden op 31 december 2003.

5. Beoordeling van het middel in het voorwaardelijke incidentele beroep

De voorwaarde waaronder het incidentele beroep is ingesteld, is vervuld. De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof te Leeuwarden van 11 juli 2007;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing;

in het incidentele beroep:

verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, W.A.M. van Schendel, F.B. Bakels en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 10 juli 2009.