Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BI4198

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-09-2009
Datum publicatie
11-09-2009
Zaaknummer
07/10717
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BI4198
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2007:BA5794, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Huur. Ontvankelijkheid procespartij. Inleidende dagvaarding uitgebracht op naam van een rechtspersoon die vóór de datum van dagvaarding als gevolg van fusie had opgehouden te bestaan en was opgegaan in andere rechtspersoon. Andere rechtspersoon moet vanaf het begin worden beschouwd als materiële procespartij. Gedaagden moeten hebben begrepen dat de procedure van begin af aan door en tegen de rechtsopvolgster werd gevoerd. Het stond de rechtsopvolgster dan ook vrij de partijnaam in overeenstemming te brengen met de werkelijkheid.

Wetsverwijzingen
Handelsnaamwet 4
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 45
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 996
NJ 2010/415 met annotatie van H.J. Snijders
RO 2009, 74
NJB 2009, 1614
JRV 2010, 15
JWB 2009/308
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 september 2009

Eerste Kamer

07/10717

EV/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. de stichting STICHTING ALGEMENE WONINGSTICHTING HOUTEN,

2. de stichting STICHTING VIVESTE, handelend onder de naam Algemene Woningstichting Houten,

beide gevestigd te Houten,

EISERESSEN tot cassatie,

advocaat: mr. M.J. van Basten Batenburg,

t e g e n

1. [Verweerder 1],

2. [Verweerster 2],

beiden laatstelijk wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: mr. H.J.W. Alt.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als AWH, Viveste en [verweerder] c.s.

1. Het geding in feitelijke instanties

AWH heeft bij exploot van 5 september 2006 [verweerder] c.s. in kort geding gedagvaard voor de kantonrechter te Utrecht en gevorderd, kort gezegd, [verweerder] c.s. te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van het te wijzen vonnis het gehuurde aan de [a-straat 1] te [plaats] te ontruimen en te verlaten onder afgifte van alle sleutels van het gehuurde.

[Verweerder] c.s. hebben de vordering bestreden.

De kantonrechter heeft, na een behandeling ter zitting, bij vonnis van 29 september 2006 [verweerder] c.s. veroordeeld om de woning met al wie en al wat daarin vanwege [verweerder] c.s. bevindt binnen twee maanden na de betekening van het vonnis te ontruimen en te verlaten en met overgifte van de sleutels geheel te vrije beschikking van AWH te stellen, met machtiging op AWH om de ontruiming zo nodig zelf en op kosten van [verweerder] c.s. uit te voeren met behulp van politie en justitie, en dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Tegen dit vonnis hebben [verweerder] c.s. hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.

Na tussenarresten van 5 december 2006 en 6 maart 2007, heeft het hof bij eindarrest van 29 mei 2007 het vonnis van de kantonrechter vernietigd en, opnieuw rechtdoende, AWH niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen.

2. Het geding in cassatie

Tegen het tussenarrest van het hof van 6 maart 2007 en zijn eindarrest van 29 mei 2007 hebben AWH en Viveste beroep in cassatie ingesteld. De beide arresten en de cassatiedagvaarding zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

[Verweerder] c.s. hebben primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring en subsidiair tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor [verweerder] c.s. toegelicht door hun advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van AWH in haar cassatieberoep en vernietiging van de arresten van het hof van 6 maart 2007 en 29 mei 2007 en verwijzing.

De advocaat van [verweerder] c.s. heeft bij brief van 20 mei 2009 op die conclusie gereageerd.

3. Uitgangspunten in cassatie

(i) AWH, thans Viveste, verhuurt sedert 31 januari 2003 aan [verweerder] c.s. een woning te [plaats].

(ii) Per 30 juni 2006 heeft AWH opgehouden te bestaan doordat zij met Woningstichting Dr Schaepman te Houten is gefuseerd tot de stichting Viveste.

(iii) Viveste handelt ook onder de handelsnaam Algemene Woningstichting Houten.

4. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Nu AWH ten tijde van het uitbrengen van de cassatiedagvaarding niet meer bestond, kon het onderhavige cassatieberoep uitsluitend door haar rechtsopvolgster Viveste worden ingesteld. Daarom dient AWH niet ontvankelijk te worden verklaard in haar beroep.

5. Beoordeling van het middel

5.1 In het onderhavige geding heeft "de stichting Algemene Woningstichting Houten" bij inleidende dagvaarding van 5 september 2006 [verweerder] c.s. in kort geding gedagvaard voor de kantonrechter te Utrecht tot ontruiming van de woning. Zoals gezegd, bestond AWH toen al niet meer als rechtspersoon. De kantonrechter heeft [verweerder] c.s. tot ontruiming veroordeeld.

5.2 Bij dagvaarding, uitgebracht aan "de stichting Algemene Woningstichting Houten" als wederpartij, zijn [verweerder] c.s. van dat vonnis in hoger beroep gekomen bij het hof. In de procedure in appel is als geïntimeerde verschenen "de stichting Algemene Woningstichting Houten" die bij memorie van antwoord verweer heeft gevoerd, echter onder de mededeling dat de stichting Algemene Woningstichting Houten thans Stichting Viveste was genaamd en dat Algemene Woningstichting Houten nog slechts als handelsnaam door Viveste wordt gebruikt.

5.3 Het hof heeft, naar de kern weergegeven, in het bestreden tussenarrest uit de memorie van antwoord afgeleid dat AWH als stichting ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding niet meer bestond en geoordeeld dat het ontbreken van rechts- en procesbevoegdheid "van de Stichting op wiens naam de procedure is ingeleid", het hof voorlopig tot de conclusie leidde dat het vonnis van de kantonrechter diende te worden vernietigd en dat de Stichting alsnog in haar vorderingen niet-ontvankelijk moest worden verklaard. De omstandigheid dat de naam "Algemene Woningstichting Houten" door de rechtsopvolgster van de voormalige stichting AWH, de Stichting Viveste, als handelsnaam wordt gebruikt, brengt hierin geen verandering, omdat - daargelaten hoe een zodanig gebruik zich verhoudt tot de verbodsbepaling van art. 4 lid 1 Handelsnaamwet - de naam als bedoeld in art. 45 lid 2, aanhef en onder b, Rv. in het geval van een rechtspersoon de statutaire naam is (rov. 2.1).

In het bestreden eindarrest heeft het hof vooropgesteld dat het in het zojuist geciteerde tussenarrest de voorlopige conclusie heeft getrokken dat, omdat de Stichting reeds ten tijde van de inleidende dagvaarding niet meer bestond, zodat rechts- en procesbevoegdheid ontbraken, het vonnis van de kantonrechter diende te worden vernietigd en de Stichting alsnog in haar vorderingen niet-ontvankelijk moest worden verklaard (rov. 2.1).

Het hof heeft het betoog van de Stichting dat het [verweerder] c.s. duidelijk was dat met "de stichting Algemene Woningstichting Houten" de verhuurster werd bedoeld en zij konden begrijpen door welke rechtspersoon zij in rechte werden betrokken en hun verweer daarop konden afstemmen, verworpen. Daartoe heeft het hof het volgende, samengevat, overwogen. Het hof leest in hetgeen de Stichting naar voren heeft gebracht geen beroep op (concrete) feiten of omstandigheden waaruit zich laat afleiden dat [verweerder] c.s. van de aanvang af hebben begrepen of moeten begrijpen dat de inleidende dagvaarding namens Viveste tegen hen was uitgebracht, bijvoorbeeld omdat bij hen bekend was dat de Stichting door fusie had opgehouden te bestaan en dat Viveste haar rechtsopvolgster was. Weliswaar heeft de Stichting aangevoerd dat het [verweerder] c.s. duidelijk was dat met de Stichting hun verhuurster was bedoeld, maar daarom gaat het niet in dit verband. Het gaat erom dat [verweerder] c.s. begrepen, althans konden begrijpen door welke rechtspersoon zij in rechte werden betrokken, zodat zij hun verweer daarop konden afstemmen. Dat uit het handelsregister kenbaar was dat de Stichting had opgehouden te bestaan en dat Viveste haar rechtsopvolgster was, is onvoldoende. [Verweerder] c.s. mochten uitgaan van de juistheid van de vermelding in de inleidende dagvaarding zodat zij geen aanleiding hadden om het handelsregister te raadplegen (rov. 2.2).

Het hof heeft voorts verworpen het betoog van de Stichting dat het mogelijk is rechtspersonen niet onder hun statutaire, maar onder hun in het maatschappelijk verkeer gebruikte naam in rechte te betrekken en dat [verweerder] c.s. geen in rechte te respecteren belang hebben om zich te beroepen op de onjuiste tenaamstelling van de inleidende dagvaarding. Hetgeen het hof daartoe in essentie heeft overwogen kan als volgt worden samengevat. Vermelding in de dagvaarding van de naam van de eisende partij maakt in de eerste plaats duidelijk tegen wie de gedaagde partij zich heeft te verweren en welke inhoudelijke verweren zij aan de tussen haar en de eisende partij bestaande rechtsverhouding kan ontlenen. In de tweede plaats is die vermelding in beginsel bepalend voor de tenaamstelling van het vonnis dat in het bij de dagvaarding ingeleide geding wordt gewezen. Onvolkomenheden in de tenaamstelling van de inleidende dagvaarding bergen dan ook het risico in zich dat onduidelijkheid ontstaat over de (rechts)personen tussen wie het vonnis rechtskracht heeft, wat onder meer tot executieperikelen kan leiden (rov. 2.4). Het is in beginsel niet toelaatbaar dat de eisende partij zich bedient van een andere naam dan haar werkelijke naam, in geval van een rechtspersoon haar statutaire naam. In het onderhavige geval is de inleidende dagvaarding op naam van "de stichting Algemene Woningstichting Houten" uitgebracht. Daarmee is niet de handelsnaam "Algemene Woningstichting Houten" gebruikt, maar is de rechtspersoon als zodanig aangeduid, welke rechtspersoon niet langer bestond (rov. 2.6).

De vraag of tegen de achtergrond van de voortschrijdende deformalisering van het burgerlijk procesrecht aanleiding bestaat om de gevolgen van de onjuiste tenaamstelling van de inleidende dagvaarding te nuanceren indien en voorzover [verweerder] c.s. niet daadwerkelijk in hun belangen zijn geschaad, heeft het hof ontkennend beantwoord op grond van het volgende. Deformalisering in gevallen als het onderhavige zou tot gevolg hebben dat de partij die op naam van een niet (meer) bestaande (rechts)persoon de procedure inleidt, daarmee geen enkel risico loopt, omdat zij dat gebrek op een moment dat haar dat uitkomt, kan helen terwijl de wederpartij wel risico loopt zoals in rov. 2.4 is overwogen. Daarom behoort een zodanige deformalisering niet plaats te vinden, afgezien van het geval dat voor de gedaagde partij van de aanvang af duidelijk is geweest wie als eiser beoogt op te treden, welk geval zich hier niet voordoet. Viveste had het geheel in eigen hand te voorkomen dat de dagvaarding uit naam van de niet meer bestaande rechtspersoon werd uitgebracht (rov. 2.9).

Op grond van een en ander heeft het hof het vonnis van de kantonrechter vernietigd en de Stichting alsnog in haar vorderingen niet-ontvankelijk verklaard.

5.4 Het middel richt zich met verschillende klachten tegen de hierboven weergegeven redengeving van het hof.

5.5 Uit de omstandigheid dat AWH reeds ten tijde van de inleidende dagvaarding door fusie was opgegaan in Viveste en laatstgenoemde in de verhouding tot [verweerder] c.s. rechtsopvolgster van AWH is, kan niet anders worden geconcludeerd dan dat Viveste in deze procedure vanaf het begin moet worden beschouwd als materiële procespartij en dat "de stichting Algemene Woningstichting Houten" in werkelijkheid niet anders kon zijn dan een aanduiding van dezelfde materiële partij. Voorts wordt uit de geding-stukken van de zijde van [verweerder] c.s. in de feitelijke instanties duidelijk dat zij in elk geval hebben begrepen dat het hun verhuurster was die de procedure tegen hen voerde en dus hun wederpartij was en dat zij hun verweer daarop hebben afgestemd. Toen [verweerder] c.s. ermee bekend werden dat AWH niet meer bestond en was opgegaan in Viveste die als gevolg daarvan opvolgend verhuurster was geworden, moeten zij dan ook hebben begrepen dat in werkelijkheid de procedure vanaf het begin door en tegen Viveste als verhuurster werd gevoerd, zij het op naam van de niet meer bestaande AWH.

Onder deze omstandigheden stond het Viveste vrij de partijnaam aan haar zijde in overeenstemming te brengen met de werkelijkheid, juist om de door het hof in rov. 2.4 geschetste risico's ten aanzien van de rechtskracht van de uitspraak en executieperikelen als gevolg van onvolkomenheden in de tenaamstelling te voorkomen. Daarom heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, door het op de daartoe door het hof gebezigde, in het licht van het voorgaande: ongenoegzame, gronden, ontoelaatbaar te achten dat de procedure verder op naam van Viveste zou worden voortgezet.

5.6 De hierop gerichte klachten van het middel slagen, zodat de bestreden arresten niet in stand kunnen blijven. De rechter na verwijzing zal bij de eerste gelegenheid die zich daartoe aandient, Viveste desverzocht moeten toelaten de tenaamstelling aan te passen zoals hiervoor is bedoeld.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart AWH niet-ontvankelijk in haar beroep;

vernietigt het tussenarrest van 6 maart 2007 en het eindarrest van 29 mei 2007 van het gerechtshof te Amsterdam;

verwijst de zaak naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerder] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Viveste begroot op € 452,03 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A. Hammerstein, W.A.M. van Schendel, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 11 september 2009.