Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BI4080

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-09-2009
Datum publicatie
08-09-2009
Zaaknummer
08/03352
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BI4080
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2008:BD7139, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Voorbedachte raad. 2. Tegenonderzoek (contra-expertise). Ad 1. HR herhaalt relevante overweging uit HR LJN AE1743 en BI4070 m.b.t. voorbedachte raad. Het Hof heeft geoordeeld dat de levensberoving niet het gevolg is geweest van een onmiddellijke gemoedsbeweging, doch dat verdachte tijd en gelegenheid heeft gehad zich op dit voornemen te bezinnen. Blijkens deze overweging heeft het Hof de maatstaf niet miskend, zodat zijn oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Dat oordeel is evenmin onbegrijpelijk, nu het Hof heeft vastgesteld dat de verschillende handelingen van verdachte “geruime tijd” in beslag hebben genomen. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN AR7228 m.b.t. tot het verzoek tot het doen verrichten van een tegenonderzoek. ‘s Hofs oordeel komt erop neer dat het verzoek onvoldoende aanknopingspunten biedt voor de noodzaak van een dergelijk onderzoek. Gelet op de vaststellingen van het Hof dat de bevindingen en de conclusies van de deskundigen ieder voor zich in essentie inhouden dat er geen ruimte is voor de mogelijkheid dat het slachtoffer zelfstandig en op eigen kracht in de modderbodem is terecht gekomen op de wijze waarop zij is aangetroffen doch dat zij daar door een externe kracht gebracht moet zijn geeft dit oordeel geen blijk van miskenning van de te dezen aan te leggen maatstaf, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Het Hof is niet vooruitgelopen op de bevindingen van een eventueel te verrichten onderzoek. De HR neemt tevens in aanmerking dat voornoemde deskundigen als getuigen ttz. zijn gehoord en dat de verdediging de gelegenheid heeft gehad aan de deskundigen vragen te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2009, 423
RvdW 2009, 1014
NJB 2009, 1739
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 september 2009

Strafkamer

nr. 08/03352

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 14 juli 2008, nummer 23/004734-07, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Noord-Holland Noord, locatie Zuyder Bos" te Heerhugowaard.

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van het vierde middel

2.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd bewezen heeft verklaard dat de verdachte heeft gehandeld na kalm beraad en rustig overleg.

2.2.1. Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"hij op 10 juni 2006 te Middelie, gemeente Zeevang, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] (zijnde echtgenote van verdachte) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg:

nadat de auto waarin hij verdachte, en [slachtoffer] zich bevonden in het (ondiepe) water was geraakt, [slachtoffer] onder water gebracht en gehouden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] door verdrinking is overleden."

2.2.2. Het bestreden arrest houdt onder "Bewijsoverweging" het volgende in:

"Het slachtoffer [slachtoffer] was in de vroege ochtend van 10 juni 2006 passagier in de auto die door verdachte, haar echtgenoot, werd bestuurd. De auto is te water geraakt in de watergang gelegen langs de Provincialeweg N247 te Middelie.

Het slachtoffer is bij een zoekactie door een duiker levenloos aangetroffen met haar lichaam onder water en met haar hoofd en haar linkerschouder geheel in de (modder)bodem, waarbij haar benen schuin naar boven waren gericht, op een afstand van ongeveer twee à drie meter van de rechtervoorzijde van de auto verwijderd.

Het water ter plaatse waar het slachtoffer is aangetroffen had een geringe diepte (maximaal 1 m), met een modderbodem. Het slachtoffer kon zwemmen (verklaring [betrokkene 1], map 2, dossierpagina 432).

Naar aanleiding van het overlijden van het slachtoffer [slachtoffer] en de twijfels die rondom de toedracht van haar overlijden zijn gerezen is uitgebreid onderzoek gedaan.

Wat er zij van al hetgeen aan het te water raken van de auto zou zijn voorafgegaan en gevolgd, kernpunt in deze zaak is de vraag of het slachtoffer na het te water raken van de auto, door eigen toedoen en op eigen kracht in de bodem van de betreffende watergang heeft kunnen geraken op de plaats en op de wijze als door de duiker [betrokkene 2] beschreven.

Een belangrijk deel van de behandeling in hoger beroep heeft zich op de beantwoording van die vraag toegespitst.

Met dat doel is onder andere door de volgende deskundigen gerapporteerd:

- dr. R.A. van Hulst, duikerarts, hoofd duik medisch centrum van de Koninklijke Marine;

- drs. G. de Lange, ingenieur-geoloog bij Deltares;

- prof. dr. ir. F. Molenkamp, hoogleraar aan de Technische Universiteit Delft, faculteit van de civiele techniek en geowetenschappen, leerstoel van grondmechanica.

Ook zijn de deskundigen ter terechtzitting gehoord, Van Hulst zowel ter terechtzitting in eerste aanleg als ter terechtzitting in hoger beroep en De Lange en Molenkamp ter terechtzitting in hoger beroep. Op initiatief van het openbaar ministerie zijn onder leiding van de deskundige Molenkamp nog nadere proeven uitgevoerd ter beantwoording van de vragen zoals door het hof geformuleerd bij de afronding van de schouw op 1 april 2008.

Die vragen betroffen:

- Met hoeveel kracht is, gegeven de plaats van het ongeval en de omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgehad zoals daarvan blijkt uit het dossier, alsmede gegeven de wijze en de diepte waarop het lichaam van het slachtoffer in de bodem van de watergang is aangetroffen, het lichaam van het slachtoffer in de modder gebracht?

- Kan deze kracht door een persoon worden uitgeoefend, en zo ja, is het dan mogelijk dat daarbij het hoofd en een deel van het bovenlichaam van die persoon droog blijven?

De bevindingen en conclusies van de deskundigen, ieder vanuit zijn eigen specifieke deskundigheid en expertise, houden in essentie -zakelijk weergegeven- in dat er geen ruimte is voor de mogelijkheid dat het slachtoffer inderdaad eigenstandig en op eigen kracht op die wijze in de modderbodem terecht is gekomen, doch dat zij daar door een externe kracht gebracht moet zijn.

De in eerste instantie door de patholoog Tromp gedane uitlating als zou een dergelijke toedracht wel mogelijk zijn is door haar ondubbelzinnig teruggenomen in haar verhoor ter terechtzitting in hoger beroep van 27 maart 2008 en -zakelijk weergegeven- bestempeld als niet meer dan een uitlating in algemene zin dat mensen in uitzonderlijke situaties uitzonderlijke dingen doen, maar dat haar deskundigheid verdere gevolgtrekkingen niet toelaat.

De deskundige Molenkamp heeft in zijn rapport nog gedetailleerd de grootte van de krachten aangegeven die met het in de bodem brengen van een op het slachtoffer gelijkend object gepaard kunnen gaan op een locatie als de onderhavige.

Hij heeft voorts de vraag of een persoon met de lengte en het toenmalig gewicht van verdachte deze kracht kan hebben uitgeoefend bevestigend beantwoord.

Nu niet ter discussie staat dat geen andere externe kracht dan afkomstig van de verdachte ter plaatse aanwezig was of een rol kan hebben gespeeld bij het overlijden van het slachtoffer, is er geen andere conclusie mogelijk dan dat het verdachte is geweest die het slachtoffer aldus met haar hoofd en lichaam onder water heeft gebracht en vervolgens met haar hoofd in de modder heeft geduwd, waardoor zij water en bodemmateriaal in haar longen heeft binnengekregen en als gevolg daarvan is overleden".

2.2.3. Het bestreden arrest houdt onder "Voorbedachte rade" het volgende in:

"In het dossier bevinden zich aanwijzingen dat verdachte het slachtoffer met een vooropgezet plan om het leven heeft gebracht. In dat verband heeft het hof met verdachte ter terechtzitting onder meer gesproken over het slaapmiddel dat in de maag van het slachtoffer is aangetroffen en de onwaarschijnlijkheid dat verdachte in slaap achter het stuur van zijn auto een afstand van ongeveer 4 km heeft overbrugd op een donkere weg met bomenrijen en daarbij op correcte wijze twee flauwe bochten naar links heeft genomen en vlak na het nemen van de tweede flauwe bocht naar links naar rechts heeft gestuurd om bij een zich daar bevindende parkeerhaven vervolgens in het aan de rechterzijde van de weg gelegen water te raken.

Ook de advocaat-generaal en de raadsman hebben uitgebreid stilgestaan bij de betekenis die aan zulke en andere aanwijzingen zou moeten worden gehecht.

Wat daarvan echter ook zij, het hof is op grond van het navolgende van oordeel dat de levensberoving van het slachtoffer niet het gevolg is geweest van een onmiddellijke gemoedsbeweging, doch dat verdachte tijd en gelegenheid heeft gehad zich op dit voornemen te bezinnen.

Verdachte heeft immers het slachtoffer onder water gebracht, vervolgens met haar hoofd in de modder gebracht en gehouden en bewerkstelligd dat zij in levenloze toestand raakte.

Inherent aan deze handelingen is dat daarmee, naar de ervaringsregels leren, geruime tijd gepaard moet zijn gegaan, in elk geval voldoende tijd waarin verdachte zich had kunnen bezinnen en het nodige had kunnen verrichten om op zijn voornemen terug te komen, zoals zijn handelingen staken, zonodig daarna hulp te verlenen of hulp in te roepen. Verdachte heeft dit nagelaten. Het te hulp roepen van de getuige [getuige 1] kan immers in dit verband niet als zodanig gelden, nu de levensberoving toen in feite was voltooid en dit moet worden gezien in het licht van het verschaffen van aannemelijkheid aan het door verdachte later tegenover derden geschetste ongevalscenario, waarin verdachte tot op heden heeft volhard.

Ook de voorbedachte rade is daarmee bewezen."

2.3. Voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad - in deze zaak in de op moord toegesneden tenlastelegging en bewezenverklaring nader uitgedrukt met de woorden "na kalm beraad en rustig overleg" - is voldoende dat komt vast te staan dat de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven (vgl. HR 11 juni 2002, LJN AE1743 en HR 30 juni 2009, LJN BI4070).

2.4. Het Hof heeft blijkens hetgeen hiervoor onder 2.2.3 is weergegeven, geoordeeld "dat de levensberoving van het slachtoffer niet het gevolg is geweest van een onmiddellijke gemoedsbeweging, doch dat verdachte tijd en gelegenheid heeft gehad zich op dit voornemen te bezinnen". Blijkens deze overweging heeft het Hof de onder 2.3 weergegeven maatstaf niet miskend, zodat zijn oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Dat oordeel is evenmin ontoereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen dat het Hof - niet onbegrijpelijk - heeft vastgesteld dat de verschillende handelingen van de verdachte "geruime tijd" in beslag hebben genomen.

2.5. Het middel faalt.

3. Beoordeling van het vijfde middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof het verzoek om een tegenonderzoek te doen verrichten ten onrechte althans ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen.

3.2. Het Hof heeft het verzoek om een tegenonderzoek afgewezen en dit als volgt gemotiveerd:

"Verzoek om contra expertise/betwisting van bewijskracht conclusies Van Hulst

De raadsman heeft nog aangevoerd dat indien het hof de bevindingen van de deskundige Molenkamp voor het bewijs wenst te gebruiken hij om een tegenonderzoek verzoekt om de volgende redenen:

1-het rapport gaat ervan uit dat het slachtoffer is aangetroffen op de wijze zoals door de duiker [betrokkene 2] beschreven, te weten op haar linkerzijkant. Volgens zijn commandant [betrokkene 3], heeft [betrokkene 2] hem gerapporteerd dat het slachtoffer met haar gezicht naar beneden in de "blubber" en op haar buik heeft gelegen; om dezelfde reden is de raadsman van oordeel dat de verklaring en conclusies van Van Hulst niet voor het bewijs mogen worden gebruikt.

2-de proeven met de pop zijn in verticale vorm genomen, het slachtoffer lag schuin;

3-er is geen rekening gehouden met het effect van het tegenspartelen van het slachtoffer;

4-de uittrekkracht spoort niet met hetgeen [betrokkene 2] daarover ter terechtzitting in hoger beroep als getuige heeft verklaard;

5-bij de proeven met de pop is deze niet voorzien van haar en kleding;

6-[betrokkene 2] heeft verklaard dat hij ter plaatse waar hij het slachtoffer aantrof moeilijk kon staan en daarom lucht in zijn duikersuitrusting heeft geblazen. Opmerkingen daarover in verband met de diepte ter plaatse vindt de raadsman niet terug in het rapport.

Het hof overweegt:

Over de wijze waarop hij het slachtoffer heeft aangetroffen heeft [betrokkene 2] in alle instanties consistent en eensluidend verklaard. Slechts op een paar details, die voor de beoordeling van de zaak niet ter zake doen, is dit anders. Deze verklaringen acht het hof betrouwbaar. De verklaring van [betrokkene 3] doet daar niet aan af en het verschil tussen zijn verklaring en die van [betrokkene 2] betreft - nu ook [betrokkene 3] aangeeft dat [betrokkene 2] hem vertelde dat hij het slachtoffer met haar hoofd in de modder heeft aangetroffen - een onderdeel van ondergeschikt belang. Een en ander tast de bevindingen van Van Hulst en Molenkamp dus niet aan.

Het verzoek van de raadsman betreft dan in essentie onderzoek op onderdelen betreffende de kracht waarmee het slachtoffer in de modder is gebracht, maar raakt niet de kern van de bevindingen van Molenkamp, zoals die eensluidend zijn aan en steun vinden in die van de deskundigen Van Hulst en De Lange, te weten - zoals hiervoor vermeld - dat er geen ruimte is voor de mogelijkheid dat het slachtoffer inderdaad zelfstandig en op eigen kracht op die wijze in de modderbodem terecht is gekomen, doch dat zij daar door een externe kracht gebracht moet zijn. Hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht kan daaraan geen afbreuk doen.

Gelet op hetgeen overigens uit de bewijsmiddelen blijkt en in de bewijsoverweging hieromtrent is overwogen zal uitsluitsel over de door de raadsman opgeworpen punten dus niet van belang kunnen zijn voor het onderzoek of voor enige door het hof te nemen beslissing en is er bijgevolg geen noodzaak voor zodanig tegenonderzoek.

Het verzoek wordt afgewezen."

3.3. Vooropgesteld moet worden dat de eis van een eerlijke procesvoering kan meebrengen dat aan een verzoek tot het doen verrichten van een tegenonderzoek gevolg behoort te worden gegeven. Of zich zo een geval voordoet is afhankelijk van de omstandigheden van de desbetreffende zaak. Daarbij kan worden gedacht aan onder meer (a) de gronden waarop het verzoek steunt, (b) het belang van het gevraagde onderzoek in het licht van de resultaten van reeds verrichte onderzoeken, (c) de omstandigheid dat het verzoek is gedaan op een zodanig tijdstip dat een dergelijk onderzoek nog mogelijk is, en (d) de omstandigheid dat het verzoek redelijkerwijs eerder had kunnen worden gedaan (vgl. HR 8 februari 2005, LJN AR7228, NJ 2005, 514).

3.4. Het oordeel van het Hof komt erop neer dat hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd onvoldoende aanknopingspunten biedt voor de noodzaak van het doen verrichten van een onderzoek als verzocht en het verzoek van de raadsman niet kern raakt van de bevindingen van de deskundige Molenkamp, die steun vinden in die van de andere deskundigen. Gelet op de vaststelling door het Hof dat de bevindingen en conclusies van de deskundigen Molenkamp, Van Hulst en De Lange, ieder vanuit zijn eigen specifieke deskundigheid en expertise, in essentie inhouden dat er geen ruimte is voor de mogelijkheid dat het slachtoffer zelfstandig en op eigen kracht in de modderbodem is terechtgekomen op de wijze waarop zij daar is aangetroffen - te weten met haar lichaam onder water en met haar hoofd en haar linkerschouder geheel in de modderbodem waarbij haar benen schuin naar boven waren gericht - doch dat zij daar door een externe kracht gebracht moet zijn, geeft dit oordeel niet blijk van miskenning van de te dezen aan te leggen maatstaf, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Niet kan worden gezegd dat het Hof in zijn oordeel vooruit is gelopen op de bevindingen van een eventueel te verrichten onderzoek als verzocht. De Hoge Raad neemt daarbij tevens in aanmerking dat voornoemde deskundigen ter terechtzitting in hoger beroep zijn gehoord en de verdediging de gelegenheid heeft gehad aan de deskundigen vragen te stellen.

3.5. Het middel faalt.

4. Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 8 september 2009.