Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BI4059

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-09-2009
Datum publicatie
09-09-2009
Zaaknummer
08/00275
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BI4059
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Afwijzing getuigenverzoek. Hof wijst op regiezitting getuige toe, maar komt op latere tz. op de beslissing terug als blijkt dat deze getuige reeds door de RC is gehoord. In ‘s Hofs oordeel ligt besloten dat het horen van de getuige niet noodzakelijk is. Gelet op art. 418.2 Sv heeft het Hof de juiste maatstaf gehanteerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 1028
NJB 2009, 1740
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 september 2009

Strafkamer

nr. S 08/00275

KM/RR

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, zitting houdende te Arnhem, van 4 juni 2007, nummer 21/002619-06, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.G. Kabalt, advocaat te Breukelen, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch alleen ten aanzien van de strafoplegging en tot strafvermindering met verwerping van het beroep voor het overige.

1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

2.2. Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel klaagt over de afwijzing van het verzoek van de verdediging om [medeverdachte 4] als getuige te horen.

3.2.1. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 november 2006 heeft de raadsman van de verdachte aldaar het volgende aangevoerd:

"Ik verzoek het hof de getuigen [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] ter terechtzitting te horen. Het gaat bij deze getuigen vooral om de overtuiging. Ik heb geen bezwaar tegen het horen van deze getuigen bij de raadsheer-commissaris."

3.2.2. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 november 2006 gehechte pleitaantekeningen heeft de raadsman aldaar voorts nog het volgende aangevoerd:

"Getuige 10, [medeverdachte 5];

Getuige 11, [medeverdachte 4];

Getuige 12, [medeverdachte 3];

Getuige 13, [medeverdachte 1];

Getuige 14, [medeverdachte 2];

Cliënt wordt ervan verdachte met onder andere deze personen deel uitgemaakt te hebben van een criminele organisatie. Cliënt ontkent in ieder geval zijn deelname hieraan. Het is daarom van belang dat de verdediging deze getuigen hoort omtrent de vermeende criminele organisatie en over de beweerdelijke rol van cliënt hierin.

T.a.v. getuige 10 [medeverdachte 5]: In het algemeen relaas van onderzoek wordt [medeverdachte 5] als leider aangewezen van het crimineel samenwerkingsverband. Ook de overige voormelde getuigen krijgen overigens een aanmerkelijke rol toebedeeld in het onderzoek.

De AG heeft aangegeven het verzoek om [medeverdachte 5] te horen af te wijzen i.v.m. het feit dat zijn verklaring niet als bewijsmiddel is gebruikt.

[Medeverdachte 5] beriep zich op zijn verschoningsrecht, bovendien gaat de AG met zijn motivering voorbij aan de gedachte dat deze getuige ook ontlastend zou kunnen verklaren. De verdediging heeft reeds uitgebreid stil gestaan, waarom zij zich verzet tegen deze motivering.

Hetzelfde geldt voor getuige [medeverdachte 4], deze heeft ontlastend verklaard (RC 1-2-2006).

Het horen van de getuigen is derhalve noodzakelijk m.b.t. het 140 Sr feit."

3.2.3. Het tussenarrest van 1 december 2006 houdt het volgende in:

"Getuigen

Bij appèlschriftuur, ingekomen op 15 juni 2006 bij de griffie van de rechtbank Rotterdam, en ter terechtzitting is door de verdediging het verzoek gedaan tot het horen van een aantal getuigen en het aan het dossier toevoegen van stukken.

Bij brief van 24 oktober 2006 heeft de advocaat-generaal gereageerd op de verzoeken van de raadsman. De advocaat-generaal wijst alle verzoeken van de verdediging die te maken hebben met het horen van getuigen die zouden kunnen verklaren over het onderzoek [A] alsmede het in het dossier voegen van stukken uit het onderzoek [A], af. Tevens wijst de advocaat-generaal het verzoek tot het horen van de getuigen [medeverdachte 5], [medeverdachte 4], [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] af. De advocaat-generaal heeft zich niet verzet tegen het horen van de getuigen [medeverdachte 6], [medeverdachte 7], [medeverdachte 8], [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10].

(...)

Met betrekking tot de overige, door de verdediging verzochte getuigen, beslist het hof als volgt:

(...)

• [Medeverdachte 4]

Het hof wijst het verzoek tot het horen van [medeverdachte 4] als getuige toe.

(...)

Het hof verwijst de zaak naar de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Rotterdam, voor het horen van de volgende getuige:

[medeverdachte 5]

[medeverdachte 4]

[medeverdachte 3]

[medeverdachte 6]

[medeverdachte 7]

[medeverdachte 8]

[medeverdachte 9]

[medeverdachte 10]"

3.2.4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 februari 2007 houdt het volgende in:

"De voorzitter deelt mede dat, zoals het hof de advocaat-generaal en de verdediging eerder heeft laten weten, thans slechts aan de orde is de beslissing van het hof met betrekking tot het horen van de getuige [medeverdachte 4] door de rechter-commissaris.

De voorzitter deelt voorts mede dat in deze zaak op 17 november 2006 een regiezitting is geweest, waarbij door de verdediging onder meer het verzoek is gedaan tot het horen van [medeverdachte 4] als getuige. Bij tussenarrest heeft het hof beslist dat deze [medeverdachte 4] als getuige door de rechter-commissaris diende te worden gehoord, nu uit het strafdossier niet bleek dat [medeverdachte 4] al door de rechter-commissaris als getuige was gehoord.

Na deze beslissing van het hof, heeft het hof van de rechter-commissaris bericht gekregen dat [medeverdachte 4] reeds als getuige in de zaak [verdachte] was gehoord. De raadsman van [verdachte] was bij dat verhoor niet aanwezig geweest, maar heeft wel schriftelijk vragen kunnen stellen. De rechter-commissaris heeft het proces-verbaal van verhoor aan het hof doen toekomen. Het hof heeft een afschrift van dit proces-verbaal aan de advocaat-generaal en de raadsman gezonden.

De advocaat-generaal reageert - zakelijk weergegeven - als volgt.

Ik vind dat de getuige [medeverdachte 4] niet opnieuw moet worden gehoord, gelet op het feit dat hij in eerste aanleg al door de rechter-commissaris is gehoord en de raadsman schriftelijk zijn vragen heeft kunnen stellen aan de getuige. Naar mijn mening is het niet noodzakelijk dat [medeverdachte 4] als getuige wordt gehoord en is de verdediging niet in haar belang geschaad door het niet horen van [medeverdachte 4].

Ik verzoek het hof het verzoek de getuige [medeverdachte 4] af te wijzen.

De raadsman reageert - zakelijk weergegeven - als volgt.

(...)

In de pleitaantekeningen van mijn kantoorgenoot, welke gehecht zijn aan het proces-verbaal van de zitting van 17 november 2006, is opgenomen dat [medeverdachte 4] al is gehoord door de rechter-commissaris. Het verzoek van de verdediging was om [medeverdachte 4] als getuige ter zitting te horen. De verdediging is van mening dat het hof op grond van artikel 322, vierde lid van het Wetboek van Strafvordering niet terug kan komen op een reeds genomen beslissing. Dit kan alleen wanneer sprake is van de in de artikelen 283, zesde lid en 315 van het Wetboek van Strafvordering genoemde omstandigheden. Daar is hier geen sprake van. Er is derhalve geen wettelijk kader om de beslissing om [medeverdachte 4] door de rechter-commissaris te doen horen, terug te draaien. Met betrekking tot het verzoek van de verdediging om [medeverdachte 4] als getuige te horen, verwijs ik naar de pleitaantekeningen zoals die zijn voorgedragen ter zitting van 17 november 2006.

De voorzitter deelt mede dat het hof bij tussenarrest een beslissing zal nemen."

3.2.5. Het tussenarrest van 20 februari 2007 houdt het volgende in:

"Horen getuige [medeverdachte 4].

Ter terechtzitting van 17 november 2006 is door de raadsman van verdachte verzocht [medeverdachte 4] te horen als getuige. In 's hofs dossier bevonden zich geen stukken waaruit zou kunnen blijken dat voornoemde [medeverdachte 4] al was gehoord door de rechter-commissaris. Het hof heeft vervolgens bij tussenarrest van 1 december 2006 onder meer beslist dat [medeverdachte 4] als getuige in de zaak van verdachte door de rechter-commissaris diende te worden gehoord.

Nadat het tussenarrest was gewezen liet de rechter-commissaris het hof weten dat [medeverdachte 4] reeds als getuige in de zaak van verdachte was gehoord. De rechter-commissaris heeft het hof een kopie van het proces-verbaal doen toekomen. Daaruit is het hof gebleken dat [medeverdachte 4] in de zaak van verdachte door de rechter-commissaris is gehoord en dat de raadsman schriftelijk vragen heeft kunnen stellen.

Ter terechtzitting van 6 februari 2007 is door de raadsman van verdachte onder verwijzing naar artikel 322 van het Wetboek van Strafvordering gesteld dat het hof niet kan terugkomen op zijn beslissing tot het horen van [medeverdachte 4] als getuige.

Het hof is van oordeel dat de raadsman met een beroep op artikel 322 van het Wetboek van Strafvordering in deze, de strekking van het artikel miskent. Het hof verwerpt het beroep van de verdediging op voornoemd artikel.

Het hof is van oordeel dat, gelet op artikel 418 van het Wetboek van Strafvordering, [medeverdachte 4] niet als getuige in de zaak van verdachte dient te worden gehoord, nu deze getuige reeds door de rechter-commissaris is gehoord en de raadsman in de gelegenheid is geweest schriftelijk vragen te stellen. Derhalve komt het hof terug op zijn eerdere beslissing de getuige te doen horen. Die beslissing berustte op een abuis, voortvloeiende uit onvolledigheid van het door de rechtbank aangeleverde dossier. Thans stelt het hof vast, dat het horen van [medeverdachte 4] niet nodig is, en dat het verzoek strekkende tot verhoor van [medeverdachte 4] alsnog moet worden afgewezen."

3.3. Art. 418, tweede lid, Sv luidt:

"In het geval de berechting in eerste aanleg op tegenspraak heeft plaatsgevonden, kan oproeping ook worden geweigerd indien de getuige of deskundige ter terechtzitting in eerste aanleg dan wel, daaraan voorafgaand, door de rechter-commissaris is gehoord en het gerechtshof horen ter terechtzitting niet noodzakelijk oordeelt."

3.4. In de hiervoor onder 3.2.5 weergegeven overweging heeft het Hof als maatstaf gehanteerd of het horen van de getuige [medeverdachte 4] noodzakelijk was, terwijl in die overweging besloten ligt dat dat naar het oordeel van het Hof niet het geval was omdat deze getuige reeds door de rechter-commissaris was gehoord en de raadsman van de verdachte in de gelegenheid is geweest toen schriftelijk vragen te stellen. Gelet op art. 418, tweede lid, Sv heeft het Hof de juiste maatstaf gehanteerd. 's Hofs oordeel is toereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat het Hof, naar het later heeft vastgesteld op grond van onvolledige informatie, eerder - zonder nadere motivering - het verzoek tot het horen van de getuige [medeverdachte 4] had toegewezen.

3.5. Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.

4. Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze 23 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 8 september 2009.