Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BI4056

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-09-2009
Datum publicatie
22-09-2009
Zaaknummer
07/13542
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BI4056
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 5 WVW 1994. Overmacht. Het Hof heeft feitelijk vastgesteld dat verdachte (met zijn auto) door een geel verkeerslicht is gereden en heeft vervolgens onderzocht of zij dat verkeerslicht zo dicht genaderd was dat stoppen voor dat verkeerslicht redelijkerwijs niet meer mogelijk was. Door bij de berekening van de daarvoor naar ’s Hofs oordeel relevante afstanden, anders dan door de verdediging is bepleit, geen rekening te houden met de zgn. schrikseconde als uitdrukking van de gemiddelde reactietijd, is het op die berekening gebaseerde oordeel niet zonder meer begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 1113
NJ 2009, 464
VR 2010, 23
NJB 2009, 1804
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 september 2009

Strafkamer

Nr. 07/13542

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 21 mei 2007, nummer 20/001031-06, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof het beroep op overmacht ten onrechte, althans op ontoereikende gronden heeft verworpen.

2.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"zij op 27 september 2004 te Tilburg als bestuurster van een motorrijtuig (personenauto) daarmede rijdende over de weg, de Ringbaan Noord en naderend de kruising of splitsing van die weg met de wegen, de Maasstraat en de Drapenierstraat, terwijl het op die Ringbaan Noord ter hoogte van voormelde kruising of splitsing van wegen geplaatste driekleurige verkeerslicht in haar richting reeds enige tijd geel licht uitstraalde niet is gestopt, doch die kruising of splitsing van wegen met een snelheid van ongeveer 50 kilometer per uur is op - en overgereden, door welke gedraging van haar, verdachte, gevaar op die kruising of splitsing van wegen werd veroorzaakt en het verkeer op die kruising of splitsing van wegen werd gehinderd."

2.3. Het Hof heeft ter zake van dit feit het volgende overwogen:

"De verdachte heeft het standpunt betrokken dat zij op de tenlastegelegde datum de kruising van de Ringbaan Noord met de Maasstraat en de Drapenierstraat is op en overgereden toen het ter hoogte van die kruising voor haar rijrichting bestemde verkeerslicht geen rood maar oranje licht uitstraalde. De getuige [getuige 1] heeft ter gelegenheid van haar verhoor door de politie verklaard - kort en zakelijk weergegeven - dat zij zag dat de Opel Corsa [het hof begrijpt: de auto van verdachte] nog net door het oranje verkeerslicht reed. (p. 14 van het dossier van politie met dossiernummer PL2060/04-012698) [getuige 1] heeft ter gelegenheid van haar verhoor door de rechter-commissaris op 16 februari 2006 verklaard dat het verkeerslicht, op het moment dat verdachte het verkeerslicht naderde, op oranje sprong en dat het verkeerslicht, op het moment dat verdachte in haar Opel zich pal onder het verkeerslicht bevond, op rood licht sprong. De getuige [getuige 2] verklaarde dat zij vlak voor het ongeval piepende remmen hoorde en dat het verkeerslicht, bestemd voor haar rijrichting (vanuit de Drapenierstraat bezien de rijrichting voor rechtsafslaand verkeer de Ringbaan Noord op), groen licht uitstraalde. Anders dan de advocaat-generaal acht het hof de verklaringen van [getuige 2] zo weinig specifiek ten aanzien van het tenlastegelegde dat daaraan geen betekenis kan worden gehecht. Eveneens anders dan de advocaat-generaal hecht het hof geen waarde aan de verklaring van de getuige [getuige 3]; zij verklaart weliswaar zeer duidelijk dat verdachte voor het ongeval door het rode licht reed, doch in het licht van het overige bewijsmateriaal en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, hecht het hof meer geloof aan de verklaring van verdachte en [getuige 1]. Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat de verdachte vóór het ongeval door het oranje verkeerslicht is gereden, zoals ten laste gelegd onder tweede subsidiair. Zijdens de verdachte is in dat verband ten verweer betoogd dat verdachte terzake van dat feit dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe is aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit overmacht als bedoeld in artikel 40 van het Wetboek van Strafrecht. Immers, toen zij de kruising met het in de tenlastelegging bedoelde verkeerslicht naderde en dit verkeerslicht op oranje sprong, kon redelijkerwijs niet van haar worden gevergd dat zij voor dat verkeerslicht stopte, maar heeft zij gedaan wat van haar als een goed weggebruiker verlangd werd te doen, te weten: het zo snel mogelijk vrijmaken van de kruising. Verdachte zelf heeft ter terechtzitting in hoger beroep dienaangaande verklaard dat zij bij het naderen van meergenoemd verkeerslicht in haar achteruitkijkspiegel keek om zich van de afstand tussen haar en haar van achteren naderend verkeer te vergewissen en dat zij het onverantwoord achtte om te stoppen. Het vervolgens ontstane ongeluk kan haar daarom haars inziens niet worden verweten. Ten aanzien van de vraag of verdachte voor het oranje verkeerslicht verwijtbaar niet is gestopt, overweegt het hof het navolgende. Op twee manieren heeft het hof die vraag beantwoord, waarbij het hof - in overeenstemming met haar stelling en ten voordele van verdachte - uitgaat van een door verdachte gereden snelheid van 50 kilometer per uur.

A. Vaststaande feiten

In het proces-verbaal van de Politie Midden en West Brabant, Unit FTO, proces-verbaal nummer 04-254748, d.d. 10 maart 2007, wordt door de verbalisanten op pagina gerelateerd dat zij het eerste rem/blokkeerspoor hebben aangetroffen op een afstand van 2,40 meter voorbij het 0-meetpunt, respectievelijk 16,60 meter voorbij de stopstreep en dat zij de voorzijde van de personenauto van verdachte op een afstand van 21,70 meter van het 0-meetpunt hebben aangetroffen. Uit het voorgaande valt af te leiden dat de afstand tussen het 0-meetpunt en de stopstreep voor het verkeerslicht 14,20 meter bedraagt (16,60 meter - 2,40 meter = 14,20 meter). Een snelheid van 50 kilometer per uur betekent een snelheid van 13,8 meter per seconde.

B. Uitgangspunt van het hof

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep gesteld en geschat dat de afstand tussen de stopstreep en het verkeerslicht ongeveer 10 meter bedraagt.

Deze schatting komt het hof niet onaannemelijk voor zodat het hof deze afstand als uitgangspunt zal nemen.

Voorts neemt het hof - overigens ook ten voordele van verdachte - als uitgangspunt dat het verkeerslicht gedurende een periode van 2 seconden oranje licht uitstraalt. Weliswaar heeft de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep een proces-verbaal van bevindingen overgelegd waarin wordt gerelateerd dat de oranje licht fase 3 seconden bedraagt, maar uit niets blijkt dat zulks ook op 27 september 2004 het geval was.

C. Eerste berekening

Uitgaande van groen licht voor het slachtoffer, met als uitgangspunt dat het verkeerslicht, bestemd voor de rijrichting van het slachtoffer, 2 seconden later dan het moment waarop het verkeerslicht voor verdachtes rijrichting op rood springt, groen licht uitstraalt, en dat de oranje licht fase voor verdachte 2 seconden bedroeg.

Het volgende heeft te gelden:

- met een snelheid van 13,8 meter per seconde legt verdachte in 4 seconden een afstand van 55,20 meter af;

- de afstand tussen de stopstreep en het verkeerslicht bedraagt ongeveer 10 meter;

- de totale afstand tussen de stopstreep en het punt waarop de voorkant van de auto is aangetroffen bedraagt 35,90 meter.

Uitgaande van deze stelling, komt het hof tot de berekening dat verdachte zich op een afstand van 19,30 meter vóór de stopstreep bevond toen het stoplicht voor haar op oranje sprong.

D. Tweede berekening

Op de wijze zoals naar voren komt uit de verklaring van de getuige [getuige 1], met als uitgangspunt dat het verkeerslicht, zoals dat bestemd was voor verdachtes rijrichting, oranje licht uitstraalde op het moment dat verdachte de kruising naderde en toen zij in haar personenauto zich pal onder het verkeerslicht bevond, op rood licht sprong.

Het volgende heeft te gelden:

- met een snelheid van 13,8 meter per seconde legt verdachte in 2 seconden een afstand van 27,60 meter af;

- de afstand tussen de stopstreep en het verkeerslicht bedraagt ongeveer 10 meter.

Uitgaande van deze stelling, komt het hof tot de berekening dat verdachte zich op een afstand van 17,60 meter vóór de stopstreep bevond toen het stoplicht voor haar op oranje sprong.

E. Conclusie

Het hof is van oordeel dat uit beide bovengenoemde wijzen van berekening een zodanige afstand tussen verdachte en de stopstreep voortvloeit dat zij, toen het verkeerslicht op oranje sprong, voldoende tijd en mogelijkheid heeft gehad om tijdig en zonder gevaar van eventueel achteropkomend verkeer voor dat verkeerslicht te stoppen. Dat verdachte niet kon stoppen omdat achteropkomend verkeer haar zo dicht was genaderd, is bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep in het geheel niet aannemelijk geworden. Gelet op het vorenoverwogene is het hof van oordeel dat er geen sprake was van feiten en omstandigheden, waardoor verdachte in een zodanig conflict van plichten is geraakt dat het bewezen verklaarde handelen haar redelijkerwijs niet te verwijten valt en derhalve door overmacht was gedrongen het feit te plegen.

Het verweer wordt mitsdien verworpen."

2.4. Art. 68, eerste lid, RVV 1990 luidt:

"1. Bij driekleurige verkeerslichten betekent:

a groen licht: doorgaan;

b geel licht: stop; voor bestuurders die het teken zo dicht genaderd zijn dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is: doorgaan;

c. rood licht: stop."

2.5. Het Hof heeft feitelijk vastgesteld dat de verdachte door een geel verkeerslicht is gereden en heeft vervolgens onderzocht of zij dat verkeerslicht zo dicht genaderd was dat stoppen voor dat verkeerslicht redelijkerwijs niet meer mogelijk was. Door bij de berekening van de daarvoor naar het oordeel van het Hof relevante afstanden, anders dan door de verdediging is bepleit, geen rekening te houden met de zogenoemde schrikseconde als uitdrukking van de gemiddelde reactietijd, is het op die berekening gebaseerde oordeel van het Hof niet zonder meer begrijpelijk.

2.6. Het middel is terecht voorgesteld.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het tweede middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu, W.M.E. Thomassen, C.H.W.M. Sterk en M.A. Loth, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 22 september 2009.