Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BI3873

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-09-2009
Datum publicatie
08-09-2009
Zaaknummer
07/10403
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BI3873
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verzoek horen voorzitter raadkamer. Het Hof heeft het bij appelschriftuur gedane verzoek toegewezen in die zin dat de verdediging in de gelegenheid is gesteld door tussenkomst van de RC schriftelijk vragen te stellen aan deze rechter. De klacht dat het verzoek is afgewezen althans dat de beslissing daarop blijkbaar (voorlopig) is aangehouden, mist feitelijke grondslag. Voor de beoordeling van het ttz. gedane verzoek om de rechter te horen heeft het Hof de juiste maatstaf aangelegd, te weten of de noodzaak van het verzochte is gebleken. Dat oordeel is toereikend en niet onbegrijpelijk gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2009, 428
RvdW 2009, 1019
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 september 2009

Strafkamer

nr. 07/10403

Hoge Raad der nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 3 juli 2007, nummer 23/000847-05, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Haaglanden, locatie Zoetermeer" te Zoetermeer.

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verlaging van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof het verzoek van de verdediging tot het horen van mr. M.J.C. van Kamp als getuige ten onrechte en ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen.

2.2.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 26 januari 2006 houdt onder meer in:

"De voorzitter maakt melding van het volgende ingekomen stuk:

- een brief van de raadsman van 19 januari 2006 aan de voorzitter met als bijlage een afschrift van de brief van diezelfde datum aan de advocaat-generaal inhoudende de onderzoekswensen van de verdediging.

(...)

De raadsman licht de in de appelschriftuur van 8 februari 2005 en zijn brief van 19 januari 2006 geformuleerde onderzoekswensen toe. Meer in het bijzonder en/of in aanvulling hierop deelt hij -zakelijk weergegeven- het volgende mede:

"(...)

De verdediging wenst officier van justitie Van Straelen en rechter Van Kamp te horen ter terechtzitting teneinde te achterhalen of door mr. Van Kamp ontoelaatbaar aan mr. Van Straelen is toegezegd dat [betrokkene 1] in vrijheid gesteld zou worden voordat [betrokkene 1] op 7 juli 2003 de getuigenovereenkomst heeft ondertekend. Een dergelijke toezegging is namelijk in strijd met de Tijdelijke Aanwijzing. Tevens verzoek ik u het schorsingsverzoek alsmede het proces-verbaal van de raadkamerzitting en de schorsingsbeslissing ten aanzien van [betrokkene 1] aan de processtukken toe te voegen.

Het gebruik voor het bewijs van de verklaring van een kroongetuige vergt een bijzondere motivering ten aanzien van diens betrouwbaarheid, zie NJ 1999, 565. Het is derhalve voor uw hof noodzakelijk [betrokkene 1] ter terechtzitting te horen teneinde zelf een oordeel te kunnen vormen over zijn betrouwbaarheid. De verdediging is in het bezit van een telefoonnummer van [betrokkene 1] waarop hij wellicht in Thailand te bereiken is. Ik zal dit nummer aan de advocaat-generaal doorgeven."

(...)

De advocaat-generaal deelt hierop -zakelijk weergegeven- mede:

Het horen van officier van justitie Van Straelen en rechter Van Kamp is niet noodzakelijk nu er onvoldoende aanknopingspunten zijn in het dossier voor de stelling van de verdediging dat er ongeoorloofde toezeggingen aan [betrokkene 1] zouden zijn gedaan. Dat de officier van justitie in verband met zijn vakantie overleg heeft gevoerd met de raadkamervoorzitter en daarbij ook over de schorsingsvoorwaarden heeft gesproken, is geen abnormale gang van zaken.

(...)

Hierop deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het onderzoek wordt geschorst voor onbepaalde tijd, langer dan een maand, nu de zaak voor nadere onderzoekshandelingen is verwezen naar de rechter-commissaris en het zittingsrooster van het hof een verdere behandeling van de zaak binnen een maand niet toelaat, doch voor maximaal drie maanden, met bevel tot oproeping van de verdachte en diens raadsman tegen het nader te bepalen tijdstip."

2.2.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 13 maart 2006 houdt onder meer in:

"Het Hof hervat het onderzoek van de zaak in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting van 26 januari 2006.

(...)

De voorzitter deelt mede dat heden de beslissingen worden meegedeeld op de ter terechtzitting van 26 januari jl. behandelde verzoeken. Deze beslissingen zijn overeenkomstig hetgeen op 10 februari jl. aan de raadsman en de advocaat-generaal bij emailbericht spoedshalve is aangekondigd, welk emailbericht aan dit proces-verbaal wordt gehecht. Daarbij worden nog de volgende, deels nadere, overwegingen toegevoegd.

Het hof wijst toe het verzoek tot het horen van rechter mr. M.J.C. van Kamp in die zin dat de verdediging binnen 14 dagen na heden schriftelijk de aan mr. Van Kamp te stellen vragen dient op te geven aan de rechter-commissaris, met verzoek tot schriftelijke beantwoording van deze vragen."

2.2.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 6 februari 2007 houdt onder meer in:

"Aangezien het Hof anders is samengesteld dan ten tijde van de schorsing van de regiezitting van 26 januari 2006, wordt het onderzoek opnieuw aangevangen. Het Hof verklaart evenwel -met instemming van de advocaat-generaal en de raadsman - de beslissingen zoals door het Hof genomen op voornoemde regiezitting over te nemen.

(...)

De raadsman deelt voorts mede als aanvullende en herhaalde onderzoekswens mr. M. van Kamp als getuige te horen. Hij voert daartoe aan dat er na de afwijzing van het eerdere verzoek een nieuwe situatie is ontstaan, gelegen in de omstandigheid dat Van Straelen in zijn schriftelijke verklaring heeft aangegeven dat de onderhavige zaak ten tijde van de schorsing van [betrokkene 1] een opmerkelijke zaak betrof, aangezien het sluiten van een overeenkomst met een kroongetuige zelden voorkomt. Ook komt het niet vaak voor dat een officier van justitie na werktijd bij een rechter binnenloopt om de schorsing van een verdachte te bespreken. Mr. Van Kamp zou zich dit -anders dan zij eerder zelf heeft aangegeven- moeten kunnen herinneren.

De advocaat-generaal deelt hierop -zakelijk weergegeven- mede

(...)

- dat zij zich evenzeer verzet tegen het horen van mr. Van Kamp, nu deze reeds schriftelijk heeft aangegeven zich de zaak niet te herinneren. Voorts deelt zij mede dat het niet ongebruikelijk is wanneer een officier van justitie -op wiens instigatie het bevel tot voorlopige hechtenis is verleend maar zich niet verzet tegen vrijlating- hierover van tevoren mededeling doet aan de gerechtelijke functionaris die beslist over een verlenging daarvan. Het horen van deze getuige is naar het oordeel van de advocaat-generaal derhalve niet noodzakelijk.

Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter de navolgende beslissingen van het hof mede.

(...)

Het verzoek tot het horen van de getuige mr. Van Kamp wordt afgewezen. Het hof overweegt daartoe dat de raadsman met het horen van voornoemde persoon als getuige kennelijk beoogt de nodige informatie te verkrijgen ter onderbouwing van het verweer dat de met de getuige [betrokkene 1] gesloten overeenkomst onrechtmatig is. Het hof is evenwel van oordeel dat gelet op het onderzoek dat reeds naar de rechtmatigheid van de desbetreffende overeenkomst is verricht en gelet op de in dat verband zowel mondeling als schriftelijk gehoorde getuigen zich thans voldoende informatie in het dossier bevindt om te dien aanzien te oordelen en dat gelet op de inhoud van die stukken het horen van deze getuige niet noodzakelijk is."

2.2.4. De bestreden uitspraak houdt in:

"Met betrekking tot de schorsing van de voorlopige hechtenis van [betrokkene 1] heeft de officier van justitie mr. Van Straelen in zijn proces-verbaal van 2 mei 2006 - zakelijk weergegeven - het volgende gerelateerd.

Onderdeel van de overeenkomst tussen [betrokkene 1] en het openbaar ministerie is dat de officier van justitie medewerking zou verlenen aan een schorsingsverzoek van [betrokkene 1]. De behandeling van het desbetreffende schorsingsverzoek in raadkamer zou plaatsvinden op 8 juli 2003. Aangezien de officier van justitie in verband met zijn vakantie niet bij die behandeling aanwezig kon zijn, heeft hij de dag tevoren de voorzitter van de raadkamer, mr. Van Kamp, bezocht op haar werkkamer, haar de gang van zaken met betrekking tot de te sluiten overeenkomst met [betrokkene 1] uitgelegd en medegedeeld zich te kunnen vinden in de schorsing van diens voorlopige hechtenis. Daarna heeft de officier van justitie [betrokkene 1] bezocht in het huis van bewaring en is de overeenkomst getekend. Op 8 juli 2003 heeft de raadkamer de voorlopige hechtenis van [betrokkene 1] geschorst, waarna deze in vrijheid is gesteld.

Mr. Van Kamp heeft desgevraagd bij proces-verbaal van 13 juli 2006 laten weten zich niets meer te kunnen herinneren van de zaak. Er zijn het hof noch uit de stukken noch uit het verhandelde ter terechtzitting feiten of omstandigheden gebleken of anderszins aannemelijk geworden op grond waarvan aan de juistheid van het relaas van de officier van juiste getwijfeld dient te worden.

Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat de officier van justitie zijn bevoegdheden heeft overschreden. Mede gelet op het feit dat de Aanwijzing niet in de weg staat aan een toezegging als door de officier van justitie is gedaan met betrekking tot zijn medewerking aan een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis en in casu niet de feitelijke invrijheidstelling van [betrokkene 1] is toegezegd, is het hof van oordeel dat er geen sprake is van schending van beginselen van een behoorlijke procesorde of van de in de Aanwijzing gegeven voorschriften. Daaraan kan niet afdoen dat [betrokkene 1] bij de politie meermalen te kennen heeft gegeven in ruil voor zijn verklaringen schorsing van zijn voorlopige hechtenis te wensen. Aan eventuele mededelingen terzake van de voormalige raadsman van [betrokkene 1] over een ophanden zijnde schorsing kan geen betekenis worden gehecht."

2.3. Blijkens de toelichting klaagt het middel in de eerste plaats over de ter terechtzitting van 13 maart 2006 gegeven beslissing omtrent het bij appelschriftuur en bij brief van 19 januari 2006 gedane verzoek mr. M.J.C. van Kamp als getuige te horen.

2.4. Het Hof heeft dit verzoek toegewezen in die zin dat de verdediging in de gelegenheid is gesteld door tussenkomst van de Rechter-Commissaris schriftelijk vragen te stellen aan mr. Van Kamp. De klacht, die ervan uitgaat dat het Hof het verzoek heeft afgewezen, althans het verzoek "blijkbaar (voorlopig) [heeft] aangehouden in afwachting van de uitkomst van de schriftelijke beantwoording van de door de verdediging te stellen vragen", mist dus feitelijke grondslag.

2.5. Voorts klaagt het middel over 's Hofs afwijzing van het ter terechtzitting van 6 februari 2007 gedane verzoek mr. Van Kamp als getuige te horen.

2.6. Voor de beoordeling van dat verzoek is ingevolge art. 315 en art. 328 in verbinding met art. 415 Sv de maatstaf of de noodzaak van het verzochte is gebleken. Bij de afwijzing van dat verzoek heeft het Hof geoordeeld dat het horen van mr. van Kamp "niet noodzakelijk" is. Aldus heeft het Hof de juiste maatstaf gehanteerd. Dat oordeel is toereikend en niet onbegrijpelijk gemotiveerd.

2.7. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

3. Beoordeling van het vijfde middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

3.2. Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde straf van elf jaren.

4. Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze tien jaren en zes maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 8 september 2009.