Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BI3724

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-10-2009
Datum publicatie
09-10-2009
Zaaknummer
08/03606
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BI3724
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2008:BF1322, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 2, lid 2, Wet BRV. Verkrijging van economische eigendom bij overeenkomst onder voorwaarde?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009/2563 met annotatie van Rozendal
FutD 2009-2154
RN 2009, 108
BR 2009/198
BNB 2010/46
FED 2009/107
V-N 2009/51.28

Uitspraak

Nr. 08/03606

9 oktober 2009

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 17 juli 2008, nr. 07/00459, betreffende een aan X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting.

1. Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting opgelegd. Na daartegen gemaakt bezwaar is de naheffingsaanslag bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

De Rechtbank te Breda heeft bij uitspraak van 14 augustus 2007 (nr. AWB 06/923) het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 21 april 2009 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie en tot verwijzing van de zaak.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende is vennoot in een maatschap.

3.1.2. Bij overeenkomst van 15 juni 2003 heeft D (hierna: D) aan de maatschap een onroerende zaak verkocht. Deze wordt in de akte, waarin de maatschap als koper en D als verkoper wordt aangeduid, als volgt omschreven:

"de onroerende zaak, bestaande uit een café met aanhorigheden, woonhuis, garage, schuur, verdere opstallen, ondergrond, erf en tuin c.q. bouwgrond, (...) waarvan alle opstallen zullen worden gesloopt, waarna verkoper de onroerende zaak, hierna te noemen "het registergoed" als bouwterrein aan koper zal leveren."

3.1.3. De overeenkomst bevat de volgende bepalingen:

(i) De koopprijs van de onroerende zaak is € 680.670;

(ii) De notariële akte van levering zal worden verleden op 1 april 2004;

(iii) Indien afgifte van een sloopvergunning zou worden geweigerd, zal de zaak in ongesloopte staat worden geleverd;

(iv) Koper betaalt aan verkoper vanaf 15 juli 2003 tot 1 april 2004 maandelijks een vergoeding voor vervangende woonruimte van € 1.000 per maand;

(v) Verkoper heeft het recht het café te exploiteren tot en met 31 december 2003;

(vi) Het verkochte komt eerst voor risico van koper zodra de notariële akte van levering is ondertekend. Tot dat moment is verkoper verplicht het verkochte tegen nieuwbouwwaarde te verzekeren.

(vii) Kosten verbonden aan van overheidswege of door nutsbedrijven gegeven aanschrijvingen tot het aanbrengen van veranderingen aan het registergoed welke worden uitgebracht na de koopovereenkomst, zijn voor rekening van koper.

3.1.4. Bij eveneens op 15 juni 2003 gesloten overeenkomst inzake sloopwerkzaamheden is het volgende vastgelegd:

(i) De feitelijke levering (aflevering) van het verkochte aan koper zal geschieden in zodanige staat, dat de op het perceel aanwezige opstallen in opdracht van verkoper en voor rekening van verkoper zullen zijn gesloopt. De kosten van het slopen van de opstallen worden door koper aan de verkoper vergoed.

(ii) Alle aansprakelijkheden, ongeacht van welke aard of omvang voortvloeiend uit dan wel verband houdend met de uit te voeren sloopwerkzaamheden komen voor rekening en risico van koper.

3.1.5. Nadat op 28 januari 2004 daartoe een aanvraag was ingediend, is op 4 maart 2004 vergunning verleend voor het slopen van de opstallen.

3.1.6. De levering heeft plaatsgevonden op 29 april 2004. De opstallen waren toen gesloopt. Over de koopprijs van € 680.670 is omzetbelasting in rekening gebracht. In de akte van levering is vermeld dat sprake is van levering van een bouwterrein in de zin van artikel 11, lid 1, letter a, sub 1, van de Wet op de omzetbelasting 1968 en is een beroep gedaan op de vrijstelling van overdrachtsbelasting van artikel 15, lid 1, letter a, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: de Wet).

3.1.7. De Inspecteur heeft naheffingsaanslagen overdrachtsbelasting opgelegd aan belanghebbende en aan haar medevennoot, ieder voor de verkrijging van 50 percent van de onverdeelde (economische) eigendom.

3.1.8. In het onderwerpelijke aanslagbiljet wordt verwezen naar een toelichtende brief van de Inspecteur van 16 december 2004. Deze luidt, voor zover van belang:

"(...) Uit de mij bekende gegevens leid ik af, dat er bij genoemde transactie sprake is van een economische levering in de zin van de overdrachtsbelasting.(...)

Het tijdstip van deze economische verkrijging is naar mijn mening uiterlijk 15 juli 2003. (...)

Ik zal derhalve een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting over het jaar 2003 opleggen (...)."

3.2. Voor het Hof was in geschil of belanghebbende meer heeft verkregen dan uitsluitend een recht op levering als bedoeld in artikel 2, lid 2, slotzin, van de Wet. Het Hof heeft geoordeeld dat de hierboven onder 3.1.2 en 3.1.4 bedoelde overeenkomsten, in onderlinge samenhang beschouwd, in werkelijkheid slechts strekten tot levering van grond. Vervolgens heeft het Hof onderzocht of ter zake van die grond meer is verkregen dan het recht op levering. Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord. Voor het geval dat ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten onzeker was of de sloopvergunning verkregen zou worden, heeft het Hof geoordeeld dat artikel 2, lid 2, van de Wet niet aan de orde kan komen, omdat het heffingsobject in de zin van artikel 2, lid 1, van de Wet ten tijde van het aangaan van de overeenkomst nog niet was bepaald.

3.3.1. Middel I klaagt terecht over onbegrijpelijkheid van 's Hofs oordeel dat de overeenkomsten strekten tot levering van alleen de grond. Deze uitleg miskent immers dat de koopovereenkomst ook voorzag in de situatie dat de sloopvergunning zou worden geweigerd, in de vorm van het beding dat hierboven is weergegeven in 3.1.3 onder (iii). De bepalingen van de overeenkomst laten geen andere conclusie toe dan dat de overeenkomst in zoverre - voorwaardelijk - strekte tot levering van het perceel in bebouwde staat.

3.3.2. Voor zover middel II klaagt over het oordeel van het Hof dat is weergegeven onder 3.2, slotzin, hierboven, is die klacht eveneens gegrond. De omstandigheid dat ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten onzeker was of de sloopvergunning zou worden verkregen, neemt niet weg dat die overeenkomsten recht gaven op een verkrijging van een onroerende zaak in de zin van artikel 2, lid 1, van de Wet.

3.4. De middelen kunnen echter niet tot cassatie leiden. De in middel II genoemde omstandigheden, te weten de gedeeltelijke betaling van de koopprijs, de overgang per 15 juli 2003 van een gedeelte van de eigenaarslasten op de koper en de maandelijkse vergoeding die per die datum voor vervangende huisvesting aan de verkoper moest worden betaald, hebben, ook indien in samenhang bezien, voor belanghebbende (nog) geen belang bij de zaak in de zin van artikel 2, lid 2, van de Wet met zich gebracht.

Middel II noemt voorts ten onrechte de afspraken inzake de sloopwerkzaamheden in dit verband van "essentiële betekenis". Artikel 2, lid 2, van de Wet merkt immers als belastbaar feit voor de overdrachtsbelasting aan de verkrijging van economische eigendom, en niet reeds de overeenkomst die een recht op zo'n verkrijging schept. Blijkens de toelichtende brief van de Inspecteur van 16 december 2004, waarnaar het aanslagbiljet verwijst, ziet de naheffingsaanslag op een verkrijging die uiterlijk op 15 juli 2003 heeft plaatsgevonden. Partijen hebben hun geschil ook beperkt tot de vraag of belanghebbende op 15 juli 2003, bij het sluiten van de onder 3.1.2 en 3.1.4 bedoelde overeenkomsten, economische eigendom heeft verkregen. Zelfs indien de afspraken in verband met de sloopwerkzaamheden zouden leiden tot verkrijging van economische eigendom door belanghebbende, brachten deze overeenkomsten mee dat die verkrijging eerst zou plaatsvinden in 2004, indien en nadat zou zijn voldaan aan de voorwaarde van afgifte van een sloopvergunning (vgl. HR 10 augustus 2007, nr. 42315, LJN BB1364, BNB 2007/274).

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, A.H.T. Heisterkamp en M.W.C. Feteris, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2009.

Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 447.