Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BI3719

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-12-2009
Datum publicatie
18-12-2009
Zaaknummer
08/02994
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BI3719
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2008:BE9023, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 3.92, lid 2, letter a, sub 2, jo. lid 1, letter a, Wet IB 2001; inkomstenbelasting, terbeschikkingstellingsregeling; gedeeltelijke afkoop van gemengde levensverzekering bij huwelijk onder uitsluiting van algehele goederengemeenschap met verrekenbeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2010/99 met annotatie van E.J.W. Heithuis
FED 2010/26 met annotatie van W.A.P. VAN ROIJ
V-N 2009/64.8 met annotatie van Redactie
FutD 2009-2705 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 08/02994

18 december 2009

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 2 juli 2008, nr. 07/00325, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

De Rechtbank te Breda (nr. AWB 06/2815) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 23 april 2009 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. Belanghebbende is op huwelijkse voorwaarden gehuwd, waarbij buiten de gemeenschap van inboedel iedere gemeenschap is uitgesloten. Tot de voorwaarden behoort een zogenoemd Amsterdams verrekenbeding met vervalbeding. Tussen belanghebbende en zijn echtgenote heeft nooit verrekening plaatsgevonden.

3.2. Belanghebbende is enig aandeelhouder en bestuurder van B B.V. (hierna: de vennootschap). Belanghebbende heeft in 1990 met de vennootschap een overeenkomst van levensverzekering gesloten, waarbij belanghebbende verzekerde is en waarin belanghebbende en zijn echtgenote als verzekeringnemers zijn aangemerkt. De overeenkomst (hierna: de levensverzekering) is mede door de echtgenote ondertekend en voorziet in een uitkering bij leven op einddatum dan wel een uitkering bij overlijden voor einddatum. In 2001 is de levensverzekering gedeeltelijk afgekocht.

3.3. Voor het Hof was in geschil of de waardeaangroei in 2001 van de levensverzekering als resultaat uit overige werkzaamheden (terbeschikkingstelling) geheel moet worden toegerekend aan belanghebbende (volgens de polis de verzekeringnemer voor de uitkering bij leven), dan wel - voor de helft - aan zijn echtgenote (volgens de polis de verzekeringnemer voor de uitkering bij vooroverlijden van belanghebbende).

3.4. Het Hof heeft geoordeeld dat de echtgenote ter zake van de levensverzekering geen resultaat uit overige werkzaamheden in de zin van artikel 3.92 Wet IB 2001 (hierna: de Wet) geniet, en dat de waardeaangroei aan belanghebbende dient te worden toegerekend.

3.5.1. De eerste klacht houdt in dat het Hof ten onrechte is uitgegaan van het bestaan van twee overeenkomsten van levensverzekering - een spaarverzekering die leidt tot een uitkering bij in leven zijn van de verzekerde op de einddatum en een overlijdensrisicoverzekering die leidt tot een uitkering bij overlijden voor de einddatum - en daarop voortbouwend heeft geoordeeld dat de echtgenote van belanghebbende slechts het bestuur heeft over de overlijdensrisicoverzekering.

3.5.2. De klacht mist in zoverre feitelijke grondslag dat het Hof niet - ook niet impliciet - heeft geoordeeld dat sprake is van twee afzonderlijke overeenkomsten. Het Hof is kennelijk uitgegaan van één (gemengde) levensverzekeringsovereenkomst met twee verzekeringnemers. Het Hof heeft die overeenkomst zo uitgelegd dat belanghebbendes echtgenote uitsluitend als verzekeringneemster ten aanzien van het overlijdensrisicogedeelte was aan te merken. Het Hof heeft hieraan de gevolgtrekking verbonden dat de echtgenote van belanghebbende niet het bestuur had over het zogenoemde spaardeel van de polis en daarmee - impliciet - dat zij niet de zogenoemde spaarpremie ter beschikking heeft gesteld. Deze uitleg van de levensverzekeringsovereenkomst is niet onvoldoende gemotiveerd noch onbegrijpelijk. Het Hof heeft aan deze uitleg de juiste gevolgtrekking verbonden. De eerste klacht faalt derhalve.

3.6.1. De tweede klacht richt zich tegen 's Hofs oordeel dat, nu het overlijdensrisicogedeelte van de premie (hierna: de risicopremie) niet is gespaard door de verzekeraar, ten aanzien van dat deel van de premie geen sprake is van het ter beschikking stellen van vermogen aan de vennootschap.

3.6.2. De klacht is in zoverre gegrond dat ter zake van de gehele voor de levensverzekering betaalde premie sprake is van ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen. De klacht kan evenwel niet tot cassatie leiden. In 's Hofs oordeel dat de door belanghebbendes echtgenote ter beschikking gestelde risicopremie door de vennootschap niet is gespaard, ligt besloten het oordeel dat de in geding zijnde waardeaangroei niet is toe te rekenen aan die terbeschikkingstelling. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voorts, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk.

3.7.1. De derde klacht houdt in dat het Hof ten onrechte heeft verworpen de stelling dat voor het antwoord op de vraag wie van de echtgenoten het resultaat uit overige werkzaamheden geniet, beslissend is het economisch belang bij dit resultaat, en dat ieder van de echtgenoten dat resultaat in gelijke mate geniet.

3.7.2. Op grond van artikel 2.17, lid 1, van de Wet worden inkomensbestanddelen van de belastingplichtige en zijn partner in aanmerking genomen bij degene door wie deze zijn genoten. Het resultaat uit de terbeschikkingstelling van vermogensbestanddelen wordt genoten in vorenbedoelde zin door de gerechtigde tot dat resultaat, derhalve door degene die het desbetreffende vermogensbestanddeel ter beschikking heeft gesteld. Belanghebbende is als verzekeringnemer ter zake van de uitkering bij leven gerechtigd tot de afkoopwaarde daarvan en geniet derhalve het daaruit voortvloeiende resultaat. Daaraan doet de omstandigheid dat de echtgenote van belanghebbende ingevolge het verrekenbeding recht heeft op verrekening van die afkoopwaarde niet af (vgl. het heden in de zaak met nummer 08/00669 uitgesproken arrest van de Hoge Raad, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht). De derde klacht faalt derhalve eveneens.

3.8.1. De laatste klacht betreft de verwerping door het Hof van belanghebbendes stelling dat het in strijd is met verdragsrechtelijke anti-discriminatiebepalingen dat het resultaat uit het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een vennootschap als bedoeld in artikel 3.92, lid 1, van de Wet door de wetgever niet is begrepen onder de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen bedoeld in artikel 2.17, lid 5, van de Wet. Ook deze klacht faalt. Het Hof heeft, na te hebben vooropgesteld dat aan de wetgever te dezen een ruime beoordelingsvrijheid toekomt, evenbedoelde stelling onder meer bezien in het licht van het door de wetgever nagestreefde doel om ongewenste vormen van 'belastingarbitrage' tegen te gaan. Het aldus omschreven doel omvat, anders dan waarvan de klacht uitgaat, ook het tegengaan van het verschuiven van resultaat uit terbeschikkingstelling van vermogensbestanddelen teneinde op dat resultaat een lager box I-tarief van toepassing te doen zijn.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, C.B. Bavinck, A.R. Leemreis en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2009.