Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BI3660

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-12-2009
Datum publicatie
18-12-2009
Zaaknummer
08/00669
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BI3660
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2008:BC6182, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 3.92, lid 1, letter a, Wet IB 2001; inkomstenbelasting, terbeschikkingstellingsregeling; Amsterdams verrekenbeding leidt niet tot het genieten van resultaat uit een werkzaamheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2010/98 met annotatie van E.J.W. Heithuis
FED 2010/25 met annotatie van W.A.P. VAN ROIJ
V-N 2009/64.7 met annotatie van Redactie
Vp-bulletin 2010, 5
FutD 2009-2705 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 08/00669

18 december 2009

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z, Verenigd Koninkrijk (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 3 januari 2008, nr. 06/00306, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

De Rechtbank te Breda (nr. AWB 05/4329) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 23 april 2009 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende is op huwelijkse voorwaarden gehuwd, waarbij buiten de gemeenschap van inboedel iedere gemeenschap is uitgesloten. Tot de voorwaarden behoort een zogenoemd Amsterdams verrekenbeding met vervalbeding. Tussen belanghebbende en zijn echtgenote (hierna: de echtgenote) heeft nooit verrekening plaatsgevonden.

3.1.2. In 1994 heeft de echtgenote een erfenis ontvangen. Tot de erfenis behoorde een pakket aandelen, dat een aanmerkelijk belang vormde in de zin van artikel 20a, lid 3, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Dit pakket is in 1997 verkocht. De met de verkoop van de aandelen behaalde opbrengst is uitgeleend aan vennootschappen waarvan de aandelen (middellijk) voor 50 percent eigendom waren van belanghebbende.

3.2. Voor het Hof was - onder meer - in geschil of belanghebbende rechthebbende op de vorderingen is en daardoor resultaat uit overige werkzaamheden (terbeschikkingstelling) geniet.

3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat ook indien de verkoopopbrengst van de aanmerkelijk belangaandelen van de echtgenote voor verrekening in aanmerking zou komen, dat slechts zou meebrengen dat belanghebbende een vordering op de echtgenote heeft uit hoofde van verrekening, welke vordering vervolgens in aanmerking zou komen voor compensatie met de eventuele vordering van de echtgenote op belanghebbende uit hoofde van het verrekenbeding. Het al of niet nakomen van het verrekenbeding heeft geen gevolgen voor de vermogensetikettering van de vordering die de echtgenote op de vennootschappen heeft. Het verrekenbeding heeft - aldus nog steeds het Hof - geen goederenrechtelijke werking. Het uit de vorderingen voortkomende belastbare resultaat behoort niet tot belanghebbendes inkomen.

3.4. Met de tegen dat oordeel gerichte klachten wordt onder meer betoogd dat het verrekenbeding wel goederenrechtelijke werking heeft en dat belanghebbende door de werking van het verrekenbeding zelf vorderingen op de vennootschappen heeft verkregen.

3.5. Dit betoog kan niet als juist worden aanvaard. 's Hofs oordeel dat het verrekenbeding geen goederenrechtelijke werking heeft is juist. De verplichting tot verrekening van overgespaarde inkomsten kan de goederenrechtelijke werking van het gekozen stelsel van huwelijkse voorwaarden - uitsluiting van elke gemeenschap - niet wijzigen en derhalve evenmin de status binnen dat stelsel van een vordering die één der echtgenoten op een derde heeft (verg. HR 6 december 2002, nr. C01/086HR, LJN AE9241, NJ 2005, 125). Als zou moeten worden aangenomen dat er voor verrekening in aanmerking komende inkomsten - in dit geval het geheel of een deel van de winst behaald bij vervreemding van de aanmerkelijk belangaandelen door de echtgenote - zouden zijn, dan zou belanghebbende uit hoofde van het verrekenbeding slechts een obligatoir recht jegens de echtgenote hebben inhoudende dat (een deel van) de behaalde vervreemdingswinst in de verrekening wordt betrokken. Uit laatstbedoeld vorderingsrecht vloeit echter niet voort dat belanghebbende voor het geheel of voor een gedeelte gerechtigd is tot de vordering die de echtgenote op de BV heeft. Die vordering (lening) is derhalve niet, ook niet voor een deel, aan te merken als een door belanghebbende ter beschikking gesteld vermogensbestanddeel. Hierop stuit de klacht af.

3.6. De overige klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, C.B. Bavinck, A.R. Leemreis en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2009.