Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BI2933

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-05-2009
Datum publicatie
08-05-2009
Zaaknummer
08/01023
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2008:BC6180, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting; art. 18, lid 1, Wet IB 1964; geruisloze inbreng geweigerd; inbreng gericht op overdracht onderneming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2009/163
V-N 2009/23.8 met annotatie van Redactie
FutD 2009-0969
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 08/01023

8 mei 2009

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 29 januari 2008, nr. 05/00428, betreffende een beschikking als bedoeld in artikel 18, lid 1 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

1. Het geding in feitelijke instantie

Ten aanzien van belanghebbende heeft de Inspecteur bij beschikking toepassing van het bepaalde in artikel 18, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) geweigerd, welke beschikking, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende en zijn echtgenote waren de twee firmanten in een vennootschap onder firma (hierna: VOF 1) die een restaurant exploiteerde te Q. Belanghebbende en zijn echtgenote (hierna ook: de ouders) waren eigenaar van het bedrijfspand en van de inventaris van het restaurant.

3.1.2. In december 1998 zijn belanghebbende, zijn echtgenote en hun dochter overeengekomen een vennootschap onder firma (hierna: VOF 2) te zullen oprichten. In de overeenkomst is bepaald dat VOF 2 wordt aangegaan vanaf 1 april 1999 en dat vennoten zijn de door belanghebbende en zijn echtgenote op te richten BV en de dochter. Voorts is in de overeenkomst bepaald dat VOF 2 het bedrijfspand, de inventaris en de goodwill zal huren van de hiervoor bedoelde BV (i.o.).

3.1.3. Op 1 februari 2000 zijn door de ouders opgericht D Beheer B.V. (hierna: Beheer BV) en Restaurant E B.V. (hierna: Restaurant BV). De ouders hebben hun subjectieve ondernemingen, bestaande uit hun deelgerechtigdheid in het vermogen van VOF 1, per 1 februari 2000 ingebracht in Beheer BV. De inbreng in Beheer BV is gevolgd door de overdracht tegen uitreiking van aandelen van de activa en passiva van de ingebrachte onderneming, met uitzondering van het bedrijfspand, aan Restaurant BV.

3.1.4. In februari 2000 is de akte van oprichting van VOF 2 getekend. Vennoten van VOF 2 zijn Restaurant BV en de dochter, alsmede de echtgenoot van de dochter. VOF 2 huurt het pand, de inventaris en de goodwill van de BV's (i.o.).

3.1.5. Bij brief van 13 juli 2000 is namens de directie van Beheer BV verzocht om toepassing van artikel 18, lid 1, van de Wet (de zogenoemde geruisloze inbreng) ten aanzien van de hiervoor in 3.1.3 bedoelde inbreng. De toepassing van dit artikel is door de Inspecteur geweigerd bij beschikking van 5 februari 2003.

3.1.6. Per 1 april 2001 is VOF 2 ontbonden en hebben de dochter en haar echtgenoot de exploitatie van de onderneming van VOF 2 met de daaraan verbonden activa en passiva voortgezet. De dochter en haar echtgenoot hebben de huur van het pand, de inventaris en de goodwill voortgezet.

4.1. Het Hof heeft aannemelijk geoordeeld dat voorafgaand aan en ten tijde van de inbreng van de door belanghebbende en zijn echtgenote in firmaverband gedreven onderneming in Beheer BV, belanghebbende, zijn echtgenote, hun dochter en haar echtgenoot reeds hadden afgesproken om de exploitatie van de onderneming op korte termijn te laten voortzetten door de dochter en haar echtgenoot. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat de inbreng van de onderhavige onderneming in Beheer BV deel uitmaakt van een geheel van rechtshandelingen gericht op de overdracht van de onderneming aan de dochter en haar echtgenoot.

4.2. Middelonderdeel C betoogt dat in het licht van de constatering dat de BV's huurinkomsten ontvingen ter zake van het bedrijfspand, inventaris en goodwill, 's Hofs oordeel dat sprake zou zijn van een overdracht van de onderneming onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is. Het Hof had - aldus het middel - voor het oordeel dat de Inspecteur het verzoek om geruisloze inbreng terecht heeft afgewezen, moeten vaststellen dat hetgeen bij de BV's achterbleef na de ontbinding van VOF 1 niet kon worden aangemerkt als een 'onderneming' in de zin van artikel 6 van de Wet.

4.3. 's Hofs hiervoor in 4.1 weergegeven oordeel moet kennelijk zo worden verstaan dat de verhuur door de BV's (i.o.) van het bedrijfspand, de inventaris en de goodwill van de onderneming niet eraan in de weg staat dat de inbreng deel uitmaakte van een geheel van rechtshandelingen gericht op de overdracht van de onderneming aan de dochter en haar echtgenoot. Aldus verstaan geeft het oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voorts kan het oordeel, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk. Reeds op grond van het vorenstaande faalt het middelonderdeel.

4.4. Het middel faalt eveneens voor het overige. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren A.R. Leemreis en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2009.