Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BI2289

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-06-2009
Datum publicatie
23-06-2009
Zaaknummer
07/12928 E
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BI2289
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Onttrekking aan het verkeer (OAHV). Art. 36b.1. onder 3 Sr. Het Hof heeft niet meer vastgesteld dan dat een strafbaar feit is begaan, waarbij het klaarblijkelijk niet het oog heeft gehad op het feit waarvoor verdachte is vrijgesproken, maar op een door een ander gepleegd strafbaar feit. Voor zover het middel ervan uitgaat dat het Hof in het verband van de OAHV heeft vastgesteld dat t.a.v. de desbetreffende tabletten een strafbaar feit is begaan door verdachte, mist het feitelijke grondslag. Vzv. het middel ten betoge strekt dat art. 36b.1. onder 3, Sr slechts het oog heeft op een door verdachte gepleegd strafbaar feit, berust het op een onjuiste rechtsopvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 881
NJ 2009, 365
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

23 juni 2009

Strafkamer

Nr. 07/12928E

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 21 augustus 2007, nummer 20/006223-04, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.C. Oudijk, advocaat te Venlo, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte de onttrekking aan het verkeer heeft bevolen van een negental flacons met tabletten, althans de oplegging van die maatregel ontoereikend heeft gemotiveerd.

2.2.1. Het bestreden arrest houdt dienaangaande het volgende in:

"Beslag

Bij gelegenheid van het onderzoek naar het feit waarvoor de verdachte is vervolgd en is vrijgesproken, zijn de in de beslissing als zodanig te noemen flacons met tabletten in beslag genomen. Niettegenstaande de bij arrest van dit hof van 19 januari 2006 onder parketnummer 20-006223-04 gegeven vrijspraak ter zake van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit, stelt het hof vast dat een strafbaar feit is begaan. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Volgens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 5 januari 2006 durfde hij zijn problemen niet met de huisarts te bespreken en heeft hij de onderhavige tabletten in Nederland gekocht van een onbekende man in een café.

Hieruit kan naar het oordeel van het hof worden opgemaakt dat ten aanzien van die tabletten het strafbare feit van artikel 3, lid 4 onder b van de Wet op de geneesmiddelen-voorziening, juncto artikel 1 van de Wet op de economische delicten is begaan.

(...)

Het hof zal daarom, nu is vastgesteld dat een strafbaar feit ten aanzien van voorwerpen is begaan, deze flacons met tabletten aan het verkeer onttrokken verklaren."

2.2.2. Het bestreden arrest houdt voorts het volgende in:

"Beslissing

Het hof:

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten: negen witte flacons, met daarin telkens dertig tabletten."

2.3. Art. 36b, eerste lid onder 3°, Sr luidt, voor zover hier van belang:

"1. Onttrekking aan het verkeer van in beslag genomen voorwerpen kan worden uitgesproken:

(...)

3° bij de rechterlijke uitspraak waarbij, niettegenstaande vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging, wordt vastgesteld dat een strafbaar feit is begaan."

2.4. Voor zover het middel ervan uitgaat dat het Hof in het verband van de onttrekking aan het verkeer heeft vastgesteld dat ten aanzien van de desbetreffende tabletten een strafbaar feit is begaan door de verdachte, mist het feitelijke grondslag. Het Hof heeft immers niet meer vastgesteld dan dat een strafbaar feit is begaan, waarbij het, zoals in de conclusie van de waarnemend Advocaat-Generaal is uiteengezet, klaarblijkelijk niet het oog heeft gehad op het feit waarvoor de verdachte is vrijgesproken, maar op een door een ander gepleegd strafbaar feit. Voor zover het middel strekt ten betoge dat art. 36b, eerste lid onder 3°, Sr slechts het oog heeft op een door de verdachte gepleegd strafbaar feit, berust het op een onjuiste rechtsopvatting. Ook in zoverre faalt het middel.

3. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 23 juni 2009.